|
12 Hongarije in het Interbellum, het bewind van Horthy, 1919 tot 1939
12.4 De wankele nieuwe orde in Hongarije, 1920 - 1921.
Precies op de dag dat Hongarije de vrede van Trianon tekent, op 4 juni 1920, krijgt Horthy een brief van Gyula Bornemissza, de gezant in Zwitserland, die hem is overhandigd door de ex-koning van het land, Karl, die intussen in Zwitserland in ballingschap verblijft. Hij deelt mee dat hij als wettig staatshoofd [omdat hij in november 1918 “van geen enkel recht afstand heeft gedaan”] heeft besloten om zijn aandeel te leveren aan de rehabilitatie van het land, en hij denkt ook dat het onwaarschijnlijk is dat de Westelijke machten zullen proberen de restauratie van hem op de Hongaarse troon tegen te werken. Hij heeft, laat hij weten, een verklaring gekregen dat de Franse regering hem steunt. Dus heeft hij het plan om z’n soevereine rechten uit te oefenen, ”zodra dat kan, misschien wel dit jaar”.
Hij prijst Horthy ook en vraagt hem om de voorbereidingen te maken en hem in te lichten over het meest geschikte tijdstip om de troon op te eisen… Uiteraard zorgt dit bericht voor gewetensproblemen bij Horthy, maar hij beseft ook dat het evenwicht tussen legitimisten en aanhangers van een ‘vrije koningskeuze’ [de meeste kleine grondbezitters] precair is. Degenen die Karl zien als ’de wettige, katholieke apostolische en historische koning’ vormen inderdaad maar een klein aantal, maar ze zijn toch zeer belangrijk en overtuigd van het legitieme recht.
Hierbij behoren b.v. veel aristokraten en voormalige officieren -die immers ooit de eed op hem persoonlijk hebben afgelegd!- en ook de geestelijkheid der r.-katholieke kerk. [Sakmyster, 84/85]. Koning Károly IV had zich immers in november 1918 alleen teruggetrokken van ”elk aandeel in Hongaarse staatszaken”, maar formeel geen afstand van de troon gedaan! Bovendien heeft Horthy steeds in het openbaar z’n admiraalsuniform aangehouden en bleef dus bleef loyaal aan de koning, zo dacht men… Nog in 1920 raadt Horthy de koning ook aan: Wacht tot het vredesverdrag, want dan is het dubbelspel voorbij en kan Hongarije’s koning terugkeren op de troon…, en Karl vertrouwt Horthy ook en wacht af. [Sakmyster].
Intussen waarschuwden legitimisten Horthy geregeld dat met name Gömbös de kwade geest is die de Habsburgers wil afzetten, en Horthy zegt hen nogal eens: ”Die Gömbös moet je niet zo serieus nemen, ik heb hem wel in de hand”, maar het argument van Horthy dat hij Gömbös zelden zag kon men [zoals o.a. Aladár von Boroviczény en andere legitimisten] niet serieus nemen. Ook bestaat er nog altijd enige onvrede door de eed die alle soldaten nu moeten afleggen op Horthy [als opperste krijgsheer, opperbevelhebber] en níet meer op de koning! Horthy zorgt er dus als het ware zelf voor dat er tegenstellingen blijven en dat er onzekerheid, maar ook verzet en protest blijft, omdat veel zaken controversieel blijven! [Sakmyster, 62].
De brief betekent dus een ongunstige wending in de politiek van Hongarije waar menigeen dacht dat een zeker herstel van de rust aanstaande is, maar tussen beide extreme opvattingen over deze kwestie staan toch ook veel pragmatici zoals Bethlen, die voorlopig willen afwachten en zeker geen overhaaste stappen wil doen. ”De kwestie kan Hongarije alleen maar schaden, ze betekent een zeker vergif voor het politieke leven en kan het evenwicht in het Donaugebied opnieuw ernstig verstoren. Men weet immers dat de Entente het herstel van Habsburg heeft verboden! Ook de buurlanden zullen dit herstel in Hongarije zien als voorbode voor iets dergelijks in Wenen, en vervolgens van de hele oude monarchie”, dus…. uitstel tot een betere, een meer geschikte situatie lijkt geboden.
Voor Horthy [en níet voor Bethlen] betekent dit echter ook een persoonlijk dilemma: ook hij legde persoonlijk de eed af in november 1918, en het breken van de eer van een gentleman, een soldaat, was altijd bijzonder ernstig, oneervol en smadelijk. Wel staat vast dat Horthy [bij een eventuele ‘vrije koningskeuze’] in géén geval zelf koning wil worden! Zelf voelt hij zich legitimist, maar veel legitimisten vertrouwen hem toch niet, omdat hij geen enkele stap in de richting van het herstel van Habsburg heeft ondernomen, en nog altijd goede connecties heeft met b.v. Gyula Gömbös., die als felle tegenstander van dat herstel bekend staat! Een uitstel lijkt dus veel beter, hoewel de kwestie regelmatig opduikt in de pers èn in het parlement, en daar een heftige strijd oplevert. Sommigen verwachten zelfs een burgeroorlog, en voor de buurlanden is men ook zeer bang. [Sakmyster, 86/87].
De situatie in en om Hongarije is dus nog bijzonder wankel, en dat geldt op verschillende terreinen. Hoewel Horthy b.v. duidelijk [en níet éénmaal] heeft beloofd om wet en orde te handhaven blijven de ’speciale detachementen’ toch nog machtig: ze zetelen in dure hotels, en gedragen zich ”arrogant, verwaand en schaamteloos”, volgens een gematigd officier. Ook bleven ze intimideren en jacht maken op joden en verdachten van linkse sympathieën. De ÉME b.v. bleef plunderen en afpersen, hoewel minder dan eerst, en o.a. graaf Apponyi wees er in maart 1920 nog eens op dat Hongarije moet ophouden met ‘het witte bolsjewisme’. Hij waarschuwt ook dat de reputatie van het land bezoedeld blijft zolang ‘de heerschappij van de wet’ niet is hersteld. Het blijkt echter dat verschillende terreurdaden [moorden] nog altijd ongestraft blijven. De commando's hebben nog altijd veel invloed en macht, en iemand zoals Héjjas is daarop nog altijd trots. [Pölöskei, 92]. Anderen dringen daarentegen aan op herstel van wet en orde, en op een einde aan de illegale akties. De regering heeft evenwel nog weinig gezag.

Ze kan niet eenvoudigweg de brutale moorden negeren, en geeft daarom een verklaring uit waarin ze dit soort moorden toch wel veroordeelt, maar lijkt deze zaak toch nog lang niet in de hand te hebben! Vanwege nationale en internationale [negatieve] reakties op de gebeurtenissen kan ook Horthy niet blijven zwijgen, hoewel het voor hem moeilijk is om enige uitspraak te doen vanwege zijn verbindingen met de militaire commando's. Als constitutioneel staatshoofd, als regent, kan hij z'n ogen echter niet sluiten voor protesten uit het parlement en voor de internationale opinie. [Pölöskei, 92]. Op 10 juni wordt de druk op Horthy zelfs nog groter: het kabinet dreigt met maatregelen om de ’speciale detachementen’ te ontbinden en van nu af constitutionele procedures te vestigen, anders treedt de regering af! [Sakmyster, 70-72], en dan blijkt dat Horthy zich dit aantrekt en toegeeft.
Op 13 juni volgt een dekreet: alle speciale detachementen worden ontbonden en hun taken worden overgedragen aan de versterkte politie en gendarmerie. De bittere pil voor extreemrechts wordt echter -typisch voor Horthy- toch ook weer verguld, want Prónay wordt lid van zijn lijfwacht en diens detachement èn dat van Ostenburg mogen blijven!! Maar zelfs dit zorgt al voor grote consternatie bij extreemrechts. Er volgen dan [in juni 1920] ook enkele arrestaties, en in het buitenland is intussen ook één en ander over "de witte terreur" in Hongarije bekend geworden.
Daarom beveelt de Internationale Transportarbeiders Organisatie op 20 juni 1920 in Amsterdam een boycot van Hongarije aan. Vervolgens treedt de regering op 26 juni af [Sakmyster, 72], en tot augustus 1920 wordt de handel met Hongarije door al dit nieuws ernstig gehinderd.
Er zijn echter nog meer redenen voor het aftreden van het kabinet van Simonyi-Semadam: nu het vredesverdrag is getekend en aan het parlement is voorgelegd, en er ook verkiezingen zijn gehouden in Tiszántúl, het gebied aan de overzijde van de Tisza, dat eindelijk is ontruimd door de Roemeense bezetters, zijn de belangrijkste taken van dit overgangskabinet voltooid.
In het [protestantse] gebied “over de Tisza” boekten de "Kleine Grondbezitters" grote winst, maar ze behalen tenslotte niet de absolute meerderheid in de Nationale Vergadering, het parlement in Budapest. De beide regeringspartijen, van de Kleine Grondbezitters [de Landelijke èn Christelijke Kisgazdapárt met samen ruim 100 zetels] en de KNEP, de Christelijk-Nationale Vereniging [met nu 83 zetels], blijven wel een coalitie vormen, omdat Hongarije zich ook de komende jaren nog voor enorme problemen ziet gesteld. Toch zijn ze het lang niet eens over de oplossing van vele problemen. Bovendien hebben heel wat afgevaardigden [vooral adel] intussen in april de KNEP al weer verlaten. Er zijn verder enkele partijlozen en de andere parlementsleden zijn verdeeld onder een aantal kleine groepen, zoals demokraten, onafhankelijken, etc. 15 % der kiezers in Budapest [71.000] haalden een streep door de lijst [na de oproep tot een boycot van de MSZDP, de soc.-demokraten] en 38.000 kiezers kwamen niet naar de stembus. Anders dan vroeger zitten er dus heel wat kleine en middelgrote boeren in dit parlement, en het ‘politieke katholicisme’ is ook veel sterker vertegenwoordigd.
Belangrijk is ook dat beide grote partijen het erover eens zijn dat ze de onderstroom van ontevredenheid en haat in de extreemrechtse, semi-legale organisaties, vrijkorpsen en detachementen [commandogroepen], en hun neiging tot terreur, èn de dreiging van het "internationale socialisme" alleen sámen kunnen bestrijden. De politiek nog ”onafhankelijke” maar zeer invloedrijke en aktieve graaf István Bethlen [1874-1946], die o.a. al sinds voorjaar 1919 bekend stond als rechtse leider, b.v. van het ”Anti-Bolsevista Comité” [ABC] dat op 12 april ’19 in Wenen wordt opgericht, maar ook als verzoener tusen de rechtse groepen, en die intussen kabinetsformateur is, wenst zelfs een fusie van beide genoemde regeringspartijen, omdat ze zich immers in weinig zaken werkelijk onderscheiden.
Onder de zogenaamde christelijk-nationale idealen kan men immers zo ongeveer alles [van rechts] verstaan: invloed van de kerken en de officieren, een diktatuur, Károly IV als koning, de typische Magyaarse waarden, het nationalisme, de invloed de ijdele schrijver Dezső Szabó met ”Az elsodort falu” [Het weggevaagde dorp, 1919] waarin hij felt tekeer gaat tegen alle niet-Magyaren, m.n. joden en Duitsers, maar ook tegen katholieken, enz., én de nogal gematigde historicus Gyula Szekfű met ”Három nemzedék”[Drie generaties], waarin hij een historische analyse geeft en zich afvraagt hoe de Hongaren ‘de weg kwijtraakten’ [1920], en men schaart zowel de contrarevolutie als het herstel van rust en orde, en de constitutionele regering eronder, terwijl intussen de dilemma’s blijven.
Het is duidelijk dat Horthy nog steeds probeert zowel Teleki en Prónay als Gömbös en Bethlen te behagen, terwijl hij de inconsistentie van z’n politiek niet door had. Hij wilde al eerder in 1920 Bethlen, die als aristokraat de joden wel mag, tot premier, terwijl die Prónay minacht, en niet lid is van een partij en zelfs niet van het parlement! Maar Bethlen geniet in het buitenland enig respekt en is diplomatiek, en hij kan de positie van het land internationaal dus verbeteren. Van de officieren ‘van Szeged’ vindt Horthy echter niemand als premier geschikt, zelfs Gömbös niet want die is in Frankrijk persona non grata en voor de legitimisten ook! [Sakmyster, 60/61]. Op advies van Bethlen benoemt Horthy dan graaf Teleki van wie bekend is dat hij zeer tegen de speciale detachementen is, tot premier per 19 juli, en intussen is er ook een nieuwe wet XII. 1920 die de regent meer macht geeft [zoals Horthy op 1 maart vroeg]: hij mag het parlement ontbinden [maar dan moeten er binnen 3 maanden nieuwe verkiezingen komen], en hij mag ook eventueel amnestie verlenen. Teleki wil ook een constitutionele regering vestigen en de invloed van het leger verminderen, dus orde, stabiliteit en recht herstellen. Een resultaat is al in augustus zichtbaar: er komt een einde aan de internationale handelsboycot, en de premier wil ook de ratificatie van het vredesverdrag. Ondanks dat het Verdrag van Trianon door iedereen werd gezien als een ramp, een catastrofe, als onwijs en onrechtvaardig, gebeurt dat inderdaad op 17 november, maar het parlement wordt wèl omsingeld door eenheden van de paramilitaire ÉME! [Sakmyster, 72/73].
Voor het oog lijkt Hongarije –vooral door de invloed van Bethlen en Teleki- dan te groeien naar meer stabiliteit: beide grote partijen zijn tegen een burgerlijke, parlementaire demokratie, en ze hebben zich al eerder akkoord verklaard met het bewind van Horthy en met de officiële ’christelijk-nationale’ koers. "De revolutionaire geest moet worden vernietigd", verkondigen beide partijen al maanden, en vanaf april 1920 wordt er al over een eenheid van beide grote partijen gepraat, maar binnen de partijen bestaan ook allerlei tegenstellingen. De "Kleine Grondbezitters" [Kisgazdák] kennen b.v. een sterke conservatieve rechtervleugel [van de rijkere grondbezitters o.l.v. markies Pallavicini en Gyula Rubinek] die alle gepraat over landhervormingen eigenlijk onzin vindt, en een meer liberale vleugel [de kleine boeren o.l.v. Nagyatádi Szabó] die dit juist tot hoofdpunt maakt.
István Nagyatádi Szabó [1863-1924] is al vele jaren aktief in de politiek van de Kisgazdapárt. In 1908 werd hij gekozen tot parlementslid en werd in 1909 voorz. der “Landelijke 48-ers en Onafhankelijkheids-Boerenpartij”. Hij wordt voor de “Országos Kisgazdapárt” [KgP] minister v. volkswelzijn in het kabinet van Berinkey [jan. 1919], maar heeft weinig sukses. Dat komt vooral omdat hij vóór handhaving van het particulier grondeigendom is, een dat is bijzonder onpopulair in die tijd wanneer zo lijkt het iedereen te keer gaat vóór collectief eigendom, en er sprake is van een snel toenemende agitatie bij socialisten en communisten. Szabó en z’n partij willen hiertegen -vergeefs- een dam opwerpen. De kloof tusen burgerlijke en socialistische, linkse partijen, die openlijk de klassenstrijd wensen, wordt dus steeds meer onoverbrugbaar. [Krusenstjern, 109-111]. Ook de liberalen o.l.v. Márton Lovászy steunen de gematigde, burgerlijke koers der KgP, en men richt op 6 jan. 1919 een “Burgerbond” op tegen alle linkse extremisme en polarisatie, en wenst herstel van de openbare orde en veiligheid, eigendomsrechten, landhervormingen en progressieve belastingen, en o.a. beperking van de macht van het grote kapitaal, en gelijke rechten en zelfbestuur voor alle nationaliteiten in het land.

Het zwaar verminkte Hongarije vanaf 1920

Toch stapt Nagyatádi Szabó binnen twee weken in het kabinet van Berinkey om vóór de belangen der kleine grondbezitters op te komen en een landhervorming te bepleiten. Hij lijkt een eerlijk man vol bezieling en goede bedoelingen, o.a. om een revolutie tegen te gaan. Wel zorgt hij er dan [als minister in een ‘links’ kabinet!] voor dat de rechtervleugel [als Földmívespárt, landbouwerspartij met o.a. markies György Pallavicini!]uit de partij stapt, en pleit nu b.v. ook voor samenwerking met de [nu linkse] Károlyi-partij en verzoening met sociaal-demokraten! Hij vreest n.l. een 2e revolutie en een burgeroorlog. Szabó wil dus doorgaan met een geleidelijke landhervorming en wel ten gunste van m.n. landarbeiders, dagloners en knechten. Intussen is de agitatie van linkse revolutionairen nog meer toegenomen en openlijk [maar illegaal] worden -vooral in het arme comitaat Somogy- landgoederen in beslag genomen en gecollectiviseerd door “onverantwoordelijke en ongeschoolde lieden”, aldus Szabó en zijn collega van landbouw, Barna Buza. Al snel blijkt dat niemand meer opgewassen is tegen extreemlinks, en na uitroeping van de radenrepubliek is Nagyatádi Szabó veroordeeld tot passiviteit en duikt [zoals zeer velen] onder, in afwachting van betere tijden….. [Krusenstjern, 112-130].
De christelijk-nationale KNEP van István Haller, József Vass en Ödön Beniczky is al evenzeer heterogeen op sociaal en politiek gebied en is sterk verdeeld over b.v. de positie [terugkeer en herstel?] van de 'toekomstige' koning. Enkele onafhankelijke "christelijk-nationale" afgevaardigden, zoals Kunó Klebelsberg en andere ‘dissidenten’ die nog kortgeleden uit de partij stapten, doen nu ook mee met de fusiebesprekingen. Er komt vervolgens, vooral door Bethlens toedoen, inderdaad een fusie tot stand, want "alleen een eensgezinde regeringspartij zal de regering autoriteit verlenen", zo meent ook de boerenleider Nagyatádi Szabó en men heeft overigens algemeen sterk het gevoel dat één grote regeringspartij de binnenlandse rust en vrede kan bevorderen. De Kleine Grondbezitters zijn vooral tevreden, omdat de kwestie van landhervormingen in het kabinet zeker aan de orde zal komen [Krusenstjern, 165], en omdat de nieuwe regeringspartij zorgt voor een zeer grote parlementaire meerderheid. Onder de formele naam "Verenigde Christelijk-Nationale partij van Kleine Grondbezitters en Landbouwers" komt op 13 juli 1920 een losse eenheidspartij [Egységes Párt] tot stand die kan rekenen op de steun van 180 van de ruim 200 parlementsleden. Toch weigert men z'n eigen organisatie op te heffen! Omdat Bethlen echter in een kabinet een groot aantal partijloze, maar wèl ervaren ministers wenst, wil men hem persoonlijk niet als premier accepteren, en daarom wordt graaf Pál Teleki door Horthy op 19 juli 1920 tot minister-president benoemd. Hij is samen met graaf Bethlen één van de belangrijkste "contrarevolutionaire" leiders in de zomer van 1919 in Wenen geweest.
Onder Teleki worden [zo kan men achteraf zeggen] de strukturen gelegd voor de komende jaren, en Horthy zelf bemoeit zich niet direkt met de binnenlandse en buitenlandse politiek. Hij leest geen rapporten en hoort alleen de ministers, en al snel leerden z’n ministers dat zijn spontane en informele meningen meestal slechts onmatige, oorlogszuchtige of hopeloos naïeve woorden waren…… Vaak voegde hij zich tenslotte toch maar naar z’n premier. In de jaren na 1920 houdt hij vooral toespraken, verricht officiële openingen, neemt parades af en geeft vooral veel vermaningen: ”Alleen hard werken en discipline helpen ons” is vaak het thema. Sommige zaken interesseerden hem boven mate, zoals b.v. het leger. Hij wil ook duidelijk af van de beperkingen van Trianon, dat Hongarije maximaal 35.000 soldaten toestaat, terwijl er van zijn Nationale Leger dan dus 45.000 man moeten worden ontslagen!
Horthy blijft ook zijn vaste denkbeelden houden. Hij blijft er b.v. steeds van overtuigd dat alleen de Hongaren de Karpaten kunnen verdedigen [en dat Tsjechen en Roemenen absoluut daarvoor niet capabel zijn] als verdedigers der westerse civilisatie… Hij heeft ook geen scrupules bij het aktief steunen van het ontduiken van de verschillende militaire bepalingen van Trianon! In 1920 komt er b.v. al een wet die ”de meest effectieve verdediging van de staat en de sociale orde” instelt. Ook is en blijft hij bijzonder bang voor onrust, voor [linkse] subversieve akties etc. en hij houdt een zekere hang naar een idyllisch verleden en gentlemanlike honor. Gevolg is o.a. dat het duel weer wordt ingevoerd, ter oplossing van persoonlijke geschillen tussen officieren! Het Hongarije van Horthy geldt in de rest van Europa dus vooral als archaïsch en irrationeel! ‘Hungary’s reputation as a country that was regressing towards a primitive past was further enhanced by the reinstatement of corporal punishment and public floggings as a penalty for certain criminal offenses”. [Sakmyster, 76-78].
”Als een van nature praatziek en vriendelijk onderhoudend prater kon Horthy opmerkelijk open zijn en zelfs indiskreet in zijn uitspraken. Hij had eenvoudig niet de arglistigheid of inderdaad de common sense van een staatsman die instinktief weet dat hij sommige dingen geheim moet houden en bepaalde ideeën onbesproken moet laten. Hij was echt de man die ‘z’n hart op de tong draagt’. Omdat Horthy geneigd was om te zeggen wat hij dacht kwam hij bij veel mensen die hem ontmoetten vooral over als zeer oprecht. Aan de andere kant leidde z’n impulsiviteit hem bij tijden ertoe om enkele van z’n vulgaire vooroordelen en meer duistere impulsen uit te spreken. Toch handelde hij zelden naar deze impulsen of vooroordelen omdat hij in de meeste gevallen van onbezonnen ondernemingen werd afgebracht door zijn meer gematigde adviseurs”. [Sakmyster, pag. IX, Inleiding]. Bovendien is het publiek ervan overtuigd dat Horthy als staatshoofd en legerleider, als admiraal een geschikt persoon is!
In de dagelijkse Hongaarse politiek, waar de beslissingen moeten worden genomen, gelden echter andere waarden; evenals gr. Bethlen streeft ook de voorzichtige, conservatieve 40-jarige r.k. graaf Teleki [evenals Bethlen telg uit een beroemde en eeuwenoude adellijke familie uit Zevenburgen], die al van 1909 tot ’13 direkteur van het Geografisch Instituut was en intussen een beroemd geograaf en wetenschapper is, in de allereerste plaats naar binnenlandse consolidatie. Hij versterkt daarom in zijn kabinet de posities van de traditioneel heersende klassen van grootgrondbezitters en kapitalistische ondernemers, en dringt vooral aan op eenheid.
Lóránt Hegedüs, direkteur van het verbond van Spaarbanken en van de Handelsbank, één der grootste Hongaarse financiële instellingen, wordt zijn min.v.financiën, en andere ministers zijn o.a.: Gyula Ferdinandy binnenl. z, István Sréter defensie, Vilmos Pál Tomcsányi justitie, István Haller godsd. en ond., Gy. Rubinek handel, István Nagyatádi Szabó voedselvoorziening, terwijl Jakob Bleyer, leider der Duitse minderheid in Hongarije, minister voor nationale minderheden wordt. [Krusenstjern, 167].
Met zijn conservatieve politiek die op een parlementaire meerderheid steunt wil Teleki de invloed van de extremisten, de officieren en leden van de vroegere "patriottische" terreurgroepen [speciale detachementen], terugdringen, en hij zal ook o.a. landhervormingen, het herstel van de rechtsorde, kiesrechthervorming, en de vele financiële problemen aanpakken. Ook ‘de joodse kwestie’ [zie hieronder] wil Teleki aanpakken…..
Sociaal-demokraten en liberalen worden door hem niet als politieke faktoren van betekenis beschouwd. Een echte oppositie, die b.v. een einde aan de strafkampen wil maken en de burgerlijke vrijheden wil herstellen, een echte parlementaire demokratie wil invoeren en de antisemitische propaganda wil stoppen, kan wat de conservatieve graaf Teleki betreft, alleen in de marge opereren.
Om de linkse oppositie, waarvan men weet dat ze met name in Budapest nog sterk is, te beperken, wordt aan de hoofdstad, volgens Wetsart. IX van mei 1920 slechts weinig autonomie toegekend. Sommigen binnen deze liberale en burgerlijke oppositie, zoals Vázsonyi en [in exiel] graaf Mihály Károlyi, blijven zelfs van mening dat het legitimisme hun alsnog een kans kan bieden om, met behulp van de vroegere Habsburgse koning, en eventueel via een coup Horthy en zijn regime aan de kant te schuiven. [Zs. Nagy, 73]. De oppositie is echter machteloos, en vooralsnog hebben de flexibele taktikus Bethlen en ook de voorzichtige Teleki als vèrreweg de meest invloedrijke personen toch een matigende invloed op de politiek van het land. Teleki vermijdt in z'n eerste rede als premier dan ook om omstreden punten, zoals het koningschap en het aanvaarden van het vredesverdrag, te vermelden.
”Excessen moeten worden vermeden en Hongarije moet weer een goede naam in het buitenland opbouwen”.De traditionele regeringsvorm moet leiden tot een politieke consolidatie en economische stabilisatie. Toch blijven allerlei dekreten van vorige kabinetten [vanaf augustus 1919] van kracht: ze waren immers en blijven ook nu bedoeld om extreme politieke stromingen, die als gevaarlijk worden beschouwd, genadeloos uit te roeien. Snelrecht, verordeningen, internering, militaire rechtbanken, grote bevoegdheden van militaire autoriteiten, arrestaties zonder opgave van reden, politietoezicht, verbanning en beperking van persoonlijke vrijheid [Pölöskei, 48/51, 100] en allerlei andere maatregelen om de veiligheid van de staat en de openbare orde te beschermen blijven nog vele maanden van kracht, en de geringste aanwijzing dat iemand tijdens de radenrepubliek aktief is geweest, is nog steeds voldoende om hem lange tijd gevangen te houden of onder politiebewaking te stellen. Wanneer in 1920 eenmaal het parlement is gekozen bekrachtigt dit de eerder genomen maatregelen vaak.

Wel vinden met name Horthy en Teleki dat er hard gewerkt moet worden aan herstel van de constitutionele orde en van het gezag van de wettige regering, en dat dus de invloed van de vrijkorpsen en allerlei semi-legale organisaties en verenigingen voorzichtig moet worden beperkt, en moet worden uitgeschakeld. Daarom wil Teleki dat de overheid zèlf optreedt, en wetten maakt om de binnenlandse orde te beschermen.
De gewapende extreemrechtse vrijkorpsen [a különítmények], etc. kunnen zich dan beter richten op een minder omstreden gebied: de revisionistische propaganda naar buiten toe, en zo genieten de steun van de overheid en worden een organisch deel van het contrarevolutionaire systeem. [Pölöskei, 102]. De officiële buitenlandse politiek van Hongarije richt zich echter op herstel van de normale betrekkingen met de Entente, de westerse mogendheden en de buurlanden. [Pölöskei, 101]. Teleki blijft eerst zelf nog minister van buitenlandse zaken, maar in september 1920 wordt graaf Imre Csáky, en in januari 1921 Gusztáv Gratz [1875-1946], een andere leider van de "Ungarndeutsche", minister van buitenlandse zaken.
Graaf Bethlen, voor wie deze post eigenlijk is bestemd, blijft n.l. weigeren om minister te worden. Veel liever geeft hij, buiten de dagelijkse zaken om, de algemene politieke lijn aan. In september 1920 verklaart hij al: "De buitenlandse politiek moet de binnenlandse politiek leiden. Daarom is binnenlandse consolidatie nodig. De wet en een sterk regeringsgezag moeten worden hersteld, een christelijke en nationale geest moeten hiervoor als basis dienen". De hierboven genoemde ”Jodenkwestie” [a Zsidókérdés]die door Teleki en Horthy en veel anderen inderdaad wordt gezien als een maatschappelijke ‘kwestie’, ziet men als een belangrijk vraagstuk dat moet worden opgelost. De groeiende hysterie [van rechts] zorgde er intussen al enkele maanden voor dat niemand meer geloofde wat joodse leiders zeiden dat bijvoorbeeld ’slechts een kleine minderheid der joden sympathie had voor Kun’! Alleen de vooroordelen tegen joden bleven alom in het land bestaan! “Men” beschouwt ‘de jood’ dus in het algemeen als “een fanatieke communist, een schrapende kapitalist, een oorlogssaboteur en een vreemde indringer”! Velen zagen ook een groot probleem in het grote aandeel van Hongaarse joden in de medische sektor [dokters], bij de justitie [rechters], in het economische en financiële leven, bij de journalisten, etc. en ook Horthy vond dat een onverdraaglijk probleem.
De vraag was niet of, maar hoe de joden moesten worden gestraft voor hun beweerde misdaden tegen de natie….en in Teleki heeft Horthy een steun: Teleki is ook antisemitisch, hij heeft minachting voor hen en ”joden vormen een probleem”. Voor graaf Teleki is dat evenwel vreemd: hij is n.b. één van de meest menselijke en tolerante èn ontwikkelde politici in Hongarije, maar hij vond de joden [nu eenmaal] ”niet-geassimileerd, zonder natie, anti-nationaal., zij propageerden een militant cosmopolitanisme” [aldus zei hij n.b. als wetenschapper!] en hij steunde de anti-joodse illegale en gewelddadige maatregelen tegen hen.
”Ze hoeven niet uit ’t land te verdwijnen maar hun invloed moet drastisch minder worden, m.n. in het intellectuele en culturele leven!” Dus aan de universiteiten moet het aantal joodse studenten aan de faculteiten worden beperkt, en dat levert één van de meest bekende -èn tegelijk omstreden- wetten van Teleki op, de zgn. "numerus clausus-wet" van sept. 1920. Om -naar premier Teleki zegt- het antisemitisme de wind uit de zeilen te nemen, pogroms te voorkomen en om aan de economische grieven van de middenstanders tegemoet te komen, voert hij een numerus clausus in voor studenten: Volgens Wetsartikel XXV van 22 september 1920 zal het aantal universiteitsstudenten van de verschillende rassen [!] en nationaliteiten worden bepaald naar percentages in de totale bevolking.
Het woord Jood komt in de wet trouwens niet voor. "Alleen degenen, die in moreel opzicht trouw aan de natie zijn, kunnen zich laten inschrijven, .... waarbij er gelet moet worden op de verhoudingen van de in Hongarije wonende volksrassen en nationaliteiten.... Het aantal studenten zal zoveel mogelijk naar landelijke doorsnee van ras [!] of nationaliteit moeten zijn", aldus delen uit de letterlijke tekst. Met name voor de joodse studenten heeft dit gevolgen: 5 % der bevolking maar een veelvoud hiervan aan studenten is immers van joodse origine! In de intellectuele beroepen zal men op den duur de gevolgen merken. Maximaal 6 % der studenten mag volgens de nieuwe wet van Joodse godsdienst zijn. Typisch is dat in deze Hongaarse wet voor het eerst het woord "ras" wordt vermeld, terwijl formeel in andere wetten géén sprake was of is van dit begrip. Tot dusverre is men in Hongarije alleen "joods" vanwege de godsdienst, en vóór de oorlog bedroeg het aantal joodse studenten 25 %. [o.a. Sakmyster, 80]. Hongarije wordt hiermee n.b. het eerste Europese land, waar in de wetgeving sprake is van antisemitisme, hoewel dat begrip dus absoluut níet met zoveel woorden wordt genoemd, en Teleki c.s. verklaren ook dat de wet ”niet speciaal tegen joden” is gericht. Wel is de premier ervan overtuigd, dat "de joden zich op den duur zullen moeten assimileren".
Daarmee gooit hij wellicht olie op het vuur, want het Hongaarse jodendom ís voor het overgrote deel al geassimileerd aan "de Magyaren", en men [de overgrote meerderheid] gaf zich al voor 1914 op als “magyar”. Duidelijk is voor Teleki echter, dat een linkse, bolsjewistische, revolutie zoals die van 1919, waarin joden zo'n grote rol speelden, zich nooit mag herhalen.
Aan de wet wordt ook niet streng de hand gehouden [Sakmyster, 80] maar “Hungary’s adoption of Europe’s first postwar anti-Jewish legislation gained for Admiral Horthy an unsavory [onverkwikkelijke, walgelijke] reputation as one of Europe’s most prominent anti-Semites. Dat doet Horthy evenwel niets en later was hij er trots op, zoals hij bij verschillende gelegenheden zei. Men moet hierbij uiteraard ook wel bedenken dat ‘de Hongaren’ in het algemeen na de buitengewoon negatieve ervaringen met de Entente en haar uitspraken, een zekere ongevoeligheid hebben gekregen betreffende ‘de publieke opinie’ in het buitenland, in het westen, waar men altijd zo hoog opgeeft over ‘de rechten van naties’ op zelfbeschikking en dergelijke, terwijl iedere Hongaar aan den lijve heeft ondervonden wat dat in feite betekent!
Na protesten van internationale joodse organisaties, die een beroep doen op de Volkenbond, wordt de wet herzien, maar echt herroepen doet men de numerus clausus-wet niet. In de Volkenbond wordt Hongarije n.l. aangeklaagd, maar men verdedigt zich door b.v. erop te wijzen, dat ”een overheid niet een groot aantal intellektuelen kan opleiden, zonder ook in hun onderhoud te kunnen voorzien”.
De Hongaarse afgevaardigde in de Volkenbond zegt zelfs, dat joden in Hongarije wel blij met de wet mogen zijn: nú kunnen universiteiten n.l. niet meer weigeren om "onpatriottische" studenten in te schrijven, en zonder deze wet zouden ze helemaal geen joden inschrijven. Het is n.l. bekend dat gewapende en geüniformeerde leden van b.v. de extreemrechtse "patriottische" MOVE en ÉME nogal eens uitdagend en demonstratief optreden, en dus een vorm van terreur uitoefenen tegen wie ze beschouwen als "onbetrouwbaar": joden en vermeende communisten.
Men erkent dus het feitelijke bestaan van een antisemitisme in het land. Het spreekt vanzelf, dat deze wet van 1920 met name in het westen [!] een smet op Hongarije werpt. In de praktijk blijkt echter dat de wet nooit strikt wordt toegepast; het aantal Hongaarse studenten van joodse godsdienst blijft een veelvoud van het percentage Joden in Hongarije. Het aantal Joodse studenten daalt in 1920/21 wel, maar in 1921/22 is het al weer 13,4 %. In de elf jaar hierna stijgt het percentage licht tot 14,3 in 1932. [Mendelsohn, 106]. De slimme taktikus Bethlen laat de wet geleidelijk in vergetelheid raken. Hij verklaart bovendien, dat de wet niet joden mag discrimineren, en dat, wanneer ze overbodig wordt of als de sociale situatie in Hongarije zich heeft geconsolideerd, ze moet verdwijnen! [Weidlein, Antisemitismus, 33].
Karakteristiek is dat de Hongaarse joodse organisaties het beroep op de Volkenbond, dat ten bate van hen was bedoeld, niet eens steunen. Ook vragen zij aan het Hooggerechtshof in Budapest de uitspraak, dat joden in Hongarije "geen afzonderlijke nationaliteit" vormen, en hebben in 1925 sukses. Hiermee heeft niemand moeite, want dit heeft altijd gegolden: "Het Hongaarse Jodendom is een confessie, geen maatschappelijke klasse of nationaliteit", aldus de Koninklijke Curie [de hoogste rechtbank van Hongarije]. Dat de Wet XXV van 1920 nooit formeel wordt afgeschaft blijft voor een enkeling aanstootgevend, maar veruit de meesten in Hongarije -van hoog tot laag- storen zich hieraan niet. In Hongarije bestaat in feite geen "joodse kwestie", al doen zich nu en dan wel sociale spanningen voor. Premier Bethlen -en Horthy- zorgen er evenwel voor dat de 430.000 Joden in Hongarije -ondanks b.v. sommige persartikelen en uitingen van parlementsleden, jarenlang in vrede en vrijheid kunnen leven en zich ongehinderd kunnen ontplooien.
Verder gaan Bethlen en Teleki door met de pogingen om de invloed van de radikaal-rechtse detachementen te neutraliseren en ze werken aan het herstel van het prestige van Hongarije in het buitenland en aan de reïntegratie in het politieke en economische leven van Europa. Bethlen realiseert zich hierbij goed dat Hongarije zeer zwak is en geen enkele steun van een grote mogendheid heeft, militair en economisch machteloos is, en dus totaal incapabel is om een irredentistische politiek te voeren. Eerst moet dus de nationale eenheid worden hersteld, met verwerping van alle extremistische, verstorende elementen links en rechts.

Realisme en géén avonturen, aldus Bethlen! En Horthy heeft alle vertrouwen in hem, laat de dagelijkse politiek geheel aan hem over en kiest met name conservatieve experts uit als minister. Een suggestie van Horthy om Gömbös op binnenl.z. te benoemen wordt door Bethlen dus afgewezen! Wel is hij bereid tot concessies aan de legitimisten. [Sakmyster, 105-107].
Een sterke hand, orde, discipline en gezag zijn, aldus Bethlen voor Hongarije vereist, en hiermee is voor iedereen duidelijk dat Bethlen een trouwe steunpilaar voor Rijksbestuurder Horthy is! Hij laat hierbij ook merken, dat de 'koningskwestie' voor hem niet aktueel is, en hij sluit tegenover Britse kringen de terugkeer van de koning eigenlijk voorlopig uit. “Habsburgse intriges betekenen een ramp voor het land”, aldus de zeer voorzichtige Bethlen, maar in Hongarije neemt de verdeeeldheid sterk toe, hoewel de Entente ook [in febr. 1921 wordt dat nog eens bevestigd] een herstel van het Huis Habsburg uitsluit. Het feit dat sommigen [legitimisten] in verband met deze zaak spreken over de ijdelheid en de persoonlijke ambities van Horthy berust dus op een leugen!! Horthy appears to have taken great pride in fulfilling the role of a captain who rescues his ship from near disaster and guides her safely toward port, maar hij heeft verschillende redenen om een herstel van het koningschap niet te aanvaarden. [Sakmyster].
De internationale situatie staat dat immers nog lang niet toe. Horthy informeerde overigens Karl niet direkt en vrijmoedig over hoe slecht de condities in Hongarije waren voor zo’n restauratiepoging, want ”he was simply unable to find a satisfactory solution to the crisis of conscience in which he found himself’. Hij was ook niet zo sluw, handig en diplomatiek, en antwoordde ook nooit op een brief van Karl van 4 juni 1920, en hij daagde hem b.v. ook niet uit om z’n bewering dat de Entente het goed zou vinden te bewijzen! Een tweede brief van 9 november 1920 waarin Karl zegt dat hij ”de Hongaarse troon nooit zal gebruiken als springplank om de soevereine macht in énig ander land te krijgen”, bleef ook geheim [en is nooit beantwoord] ‘om de zaak niet nog erger te maken en contraproduktief te laten worden’ [volgens Horthy]. Toch bleef Karl ervan overtuigd dat Horthy nooit z’n eed zou breken en loyaal zou zijn, en achteraf ook niet zo handig van Horthy was de benoeming eind 1920 van twee zeer bekende legitimisten, graaf Sigray en kol. Lehár op de meest belangrijke militaire en politieke posten in West-Hongarije, dat traditioneel het meest pro-Habsburgse gebied van Hongarije is. Dat wordt uiteraard door Karl opgevat als ”welwillendheid van Horthy en een eerste stap tot herstel voor mij”…
Het liep echter allemaal uit op een dramatische confrontatie en op onverzoenlijke tegenstellingen. [Sakmyster, 87/88]. Ondanks het feit dat hij zelf niet in de regering zit worden de woorden en daden van de voorzichtige graaf Bethlen toch wel als richtinggevend beschouwd. [Pölöskei, 102], en ook premier Teleki zelf geldt -naast Bethlen- als een der grondleggers van de nieuwe "contrarevolutionaire" orde in Hongarije.
Beide aristokraten laten zich daarbij kennen als uiterst conservatieve politici, bij wie de schrik van de extreemlinkse bolsjewistische heerschappij over het land nog lange tijd zeer vers in het geheugen blijft. Het bewind van Horthy, Bethlen en Teleki heeft evenwel met zeer weinig echte oppositie te maken. Nergens is sprake van verzet, demonstraties of iets dergelijks. Aan de éne kant weet iedereen dat dat levensgevaarlijk kan zijn maar aan de andere kant beseft men vrij algemeen wel, dat Hongarije alleen met de sterke arm kan worden geregeerd, en zich alleen zó weer kan herstellen en kan oprichten uit de chaos en het totale verval. Vanaf het begin van het regime van Horthy is duidelijk, dat weliswaar zeer velen in Hongarije wars zijn van alle politieke ellende sinds 1914 en tevreden zijn [of: lijken] met het nieuwe autoritaire bewind, dat eindelijk de rust heeft hersteld, maar dat de autoriteiten zélf de binnenlandse toestand nog lang niet stabiel achten. Men wil op z'n hoede blijven, en vertrouwt aan het volk echte politieke vrijheid niet toe. Dat blijkt uit allerlei wetten die bedoeld zijn als ordemaatregelen.
De nationale vergadering van Hongarije herstelt op 1 sept. 1920 b.v. met de "wet ter bescherming van eigendom, moraal en personen", de mogelijkheid tot het toedienen van lijfstraffen [Wet XXVI, 1920], waaruit ook blijkt dat men zich weinig stoort aan moderne Europese ontwikkelingen. De wet roept in het land zelf wel enig verzet op, maar wordt in feite door rechtbanken toch niet toegepast….. Wel loopt een aantal parlementsleden, vooral van het gematigde deel der regeringspartij, de vml. grondbezitters, uit protest weg uit het parlement. [Krusenstjern, 168].
Ook internering en politietoezicht blijven mogelijk voor personen die een gevaar vormen of verdacht zijn i.v.m. de maatschappelijke orde, de staat, de binnenlandse vrede, etc. Eventueel kan men confiscatie toepassen. [Jászi, XII]. Een aantal jaren blijven interneringskampen bestaan. Gevangenisstraf voor degene, "die de Hongaarse staat en de natie beledigt" is ook mogelijk, en militaire inspectie b.v. in kolenmijnen en politieoptreden bij de oogst door landarbeiders vormen een regelmatig terugkerend verschijnsel.
Op 14 maart 1921 wordt een wet "ter bescherming van de bestuurlijke en maatschappelijke orde" in Hongarije ingevoerd. [Wet III, 1921]. Deze is vooral gericht tegen linkse, progressieve bewegingen, waartegen de regering nu kan optreden. Die hebben overigens weinig steun bij de bevolking. "De binnenlandse orde moet worden gehandhaafd", zegt men nu eenmaal, en dát blijft een kenmerk van het nieuwe bewind. Hiervoor moet alles wijken. De vrijheid van vergadering en vereniging, van de pers, enz. is dus beperkt, en voor allerlei aktiviteiten van legale verenigingen heeft men toestemming van politie en regering nodig. De politie kan ook allerlei vergadering bijwonen en hierover rapporteren. Vele dokumenten zijn al in de eerste maanden na juli 1919 in beslag genomen, maar b.v. arbeiders, vakbonden, intellektuelen, liberalen en soms ook boeren blijven verdacht.
Talloos zijn met name de klachten over lokale autoriteiten, die zelfs vergaderingen van officieel erkende verenigingen weigeren toe te staan, en altijd weer komen met "een gevaar voor de openbare orde"! [Pölöskei, 57]. "Vertrouwelijke dekreten van de minister van binnenlandse zaken" blijken dan vaak van doorslaggevende betekenis. De pers, d.w.z. vooral de liberale en sociaal-demokratische bladen die in Budapest verschijnen, worden ook aan een zekere controle onderworpen. Ook hier is de overheid waakzaam: men wenst geen opruiende communistische, bolsjewistische, anarchistische en andere publikaties, die de staat ondermijnen en de orde kunnen verstoren.
Formeel wordt de perswet van 1914 weer ingevoerd, en daarmee blijft de Hongaarse pers min of meer 'veilig' onder een zekere controle van de overheid. [Pölöskei, 54]. Door een dekreet van de minister van binnenlandse zaken van september 1919 kunnen de boeken van talloze bekende en beruchte Hongaarse en andere communistische schrijvers in beslag worden genomen en vernietigd. Hierbij moet men ook denken aan de propaganda via bladen en pamfletten, boeken en tijdschriften van gevluchte communisten die nu in Wenen, dus dichtbij het land, verblijven en hier allang weer [eind nov. 1919] een Voorl. Centraal Comité van de Partij van Communisten van Hongarije [Kommunisták Magyarországi Pártja] en bladen en uitgeverijen hebben [her-] opgericht.
Ook Horthy zelf laat herhaaldelijk weten dat hij "het rode vuur, waar en wanneer dat ook maar weer opduikt, bloedig zal onderdrukken" en zoals bekend: krijgshaftige taal schuwt hij nooit. Het nationale leger is hèt middel waarvan hij gebruik zal maken om gerechtigheid, eer en integriteit te herstellen, zo laat hij in april 1920 weten. Nationale eenheid en de bloei van de natie gaan hem ook zeer ter harte: de "christelijke en nationale richting" is ook de zijne. Met interne partijpolitieke zaken bemoeit de regent zich echter niet. [Pölöskei, 81].
Horthy en vele anderen in Hongarije geloven ook dat eens de dag van de herrijzenis zal komen, maar extreemrechts blijft toch bitter teleurgesteld over Horthy! Prónay b.v. klaagt nog altijd over de invloed van joden en vrijmetselaars en Horthy weet dat alleen maar te sussen. Hij zegt b.v. dat alle plannen tegen de CSR en de samenwerking met extreemrechtse kringen in Beieren om een Witte Internationale op te richten allemaal wel goed komen, en dat weliswaar de spec. detachementen zijn ontbonden maar dat hij, Horthy zelf toezicht zal houden dat z’n vrienden géén vervolging wacht, etc. Prónay en z’n kameraden zullen alleen nog even moeten wachten……Weldra blijkt dit alleen nog retoriek van Horthy, hoewel hij dan toch ook weer plannen heeft om b.v. ”alle Tsjechen uit Slowakije te gooien” [in 1921], maar b.v. Grátz [min.v.buit.z] is -evenals Teleki en Bethlen- fel tegen buitenlandse militaire avonturen die gedoemd zijn te mislukken! 76. Zelfs is er sprake van een eerste overleg met Tsjechoslowakije, maar Horthy blijkt hopeloos naïef en denkt alleen maar aan een grensherziening ten bate van Hongarije. [Sakmyster, 74-76]
Ook in andere, meer serieuze opzichten blijft Hongarije zich na de vrede van Trianon in het geheim toch ook voorbereiden op z'n herstel. Verscheidene paramilitaire organisaties worden opgericht, zoals een grensbewaking van 6.000 man, politiescholen, een Donaurivierpolitie, fysieke training, en vele [voormalige] officieren doen hierin mee. Het vredesverdrag wordt hierbij niet direkt geschonden want de Hongaarse gendarmerie en politie mogen hetzelfde aantal mensen hebben als voor de oorlog. [Pölöskei, 94]. Men richt zich ook op sport en training van jongemannen, om hen voor te bereiden op militaire oefeningen, discipline, gezondheid, een nationale geest. "Het is n.l. gemakkelijk om van atleten goede soldaten te maken" aldus staatssecretaris Jenö Karafiáth in het voorjaar van 1920. [Pölöskei, 95]. Iedere man van 18 tot 45 jaar kan ook worden opgeroepen voor werkzaamheden "ten behoeve van het openbaar welzijn" voor een periode van twee jaar, al spreken kritici van een vorm van dwangarbeid. Ook studenten en jeugd worden gemobiliseerd b.v. in de nationalistische "Turul"-organisatie en in de Hongaarse padvinderij. Vooral de MOVE neemt hierbij een belangrijke plaats in.

"De huidige politiek en economische situatie van onze natie vraagt om agressiviteit, de geest van strijd, met andere woorden: militaire training is nodig in het Hongaarse openbare leven". Het is dus van belang dat de jeugd, en eigenlijk de hele natie, voorbereid wordt en gebruikt wordt voor de verdediging van de natie"... [Pölöskei, 95].
Een wet uit 1921 regelt b.v. dat de lichamelijke opvoeding ter hand wordt genomen om de gezondheid van de natie te bevorderen. Sporthallen en trainingscentra zullen hiervoor worden gebouwd. [id. 96]. Toch vindt men niet iedereen geschikt en maar al te vaak acht "men" jood en rood vrijwel identiek met onbetrouwbaar en onpatriottisch, en b.v. in het "Nationale Leger" is noch voor de één noch voor de ander plaats: Al in 1920 worden aparte detachementen, Arbeidsbataljons, opgericht voor politiek onbetrouwbare lieden!…..
Voorts wordt op 20 augustus 1920 nota bene een soort nieuwe ridderorde [vitézi rend] geschapen, waarvan de leden ["iedereen met de hoogste militaire rang"] zich voortaan mogen beschouwen als "ridder" [vitéz]. Aan hen worden "als een teken van eeuwige dankbaarheid van het vaderland" helden-landgoederen van minstens 15 hold [ruim 8,6 ha] plechtig in bezit geschonken, mits ze mannen van Magyaarse afkomst zijn, en in de oorlog 1914/18 of daarna voor het vaderland en de nationale idealen [dus b.v. tegen het bolsjewisme] heldhaftig hebben gestreden. [Gosztony, 54, Pölöskei, 97/98].
Het landgoed kan door de oudste zoon worden geërfd, en ook de titel 'vitéz' is erfelijk. Elk jaar wordt een aantal mannen tot 'vitéz' geslagen! In totaal zijn er na twintig jaar zelfs ruim 20.000 ridders in het 20e eeuwse Hongarije te vinden. Kapitein-generaal van de "vitézi rend" is Horthy zelf. [Gosztony, 55]. Volgens Horthy moeten de nieuwe landgoederen ook de nieuwe, heldhaftige strijd die zeker zal komen, om de verloren gebieden terug te winnen, bevorderen, en talloze hoge politici en bestuurders nemen zitting in het bestuur van de "vitézi rend", die onder leiding van een kapitein-generaal komt te staan.
Het anachronistische, feodale en militaire element is hierbij zeer duidelijk. De beloning met een stuk land, de plechtigheden, emblemen en wapenschilden, het territoriale bestuur, verdeeld in "székek" [stoelen], moeten de herinnering oproepen aan de ridderorden uit de feodale middeleeuwen, de tijd toen Hongarije als grote en onafhankelijke natie nog van belang was, en een eigen dynastie kende...... Deze ridderorde dient ook vooral een propagandistisch doel, en de Regent treedt op als een soort weldoener voor de gewone mensen…. De nieuwe helden behoorden voortaan tot de meest dappere en loyale aanhangers van Horthy, maar de oude adel was minachtend hierover en beschouwde hen als parvenu’s. [Sakmyster, 81].
Op 22 mei 1921 leggen de eerste "vitézek" [ridders] de eed af in de Sigismundkapel in de koninklijke burcht van Buda, waar Horthy zelf -als de kapitein-generaal- zijn erezwaard op de rechterschouder van iedere 'vitéz' persoonlijk legt, maar ook hiermee maakt het land zich in de ogen van buitenlanders, moderne demokraten en vooral progressieve en linkse lieden belachelijk. Toch kennen ook de nieuwe Slavische buurlanden van Hongarije, Tsjechoslowakije en het SHS-koninkrijk iets dergelijks: in de ČSR wordt, juist in Slowakije, vroeger Hongaars grondbezit in eigendom gegeven aan o.a. degenen die in het ČS-legioen in Siberië "voor het vaderland" hebben gestreden, en in het SHS-koninkrijk wordt b.v. in de Vojvodina [Bácska en Bánát] Hongaarse grond aan Servische kolonisten die de oorlog van 1914-18 ”voor het vaderland” hebben gestreden, gegeven!
De nieuwe ridderorde [a vitézi rend] dient overigens ook als mogelijkheid voor een landhervorming, waarop met name zeer veel kleine grondbezitters en pachters nog wachten, want hun situatie is buitengewoon moeilijk, zoals de hele economische toestand van dit land na 1919.
De inflatie is enorm hoog, de werkloosheid is gigantisch, de armoede van honderdduizenden is schrikbarend, o.a. van de driehonderdduizend vluchtelingen uit de buurlanden, die b.v. in spoorwagons leven in barre omstandigheden, en ook de honger teistert duizenden Hongaren. Veel mensen moeten hun hand ophouden om in leven te blijven. De agrarische produktie is in 1920 [op hetzelfde gebied] teruggevallen tot 50 à 60 % van die van het laatste vredesjaar 1913, en de industriële produktie bedraagt slechts 35 à 40 % van die van 1913.
Zeer vele boeren en landarbeiders lijden armoede, en kunnen slechts een karig tot armoedig bestaan in de landbouw opbouwen. Toch kent men in het algemeen in Hongarije geen voedselgebrek zoals in Oostenrijk, hoewel de boeren ook hier een beloning wensen voor de grote offers die ze in de oorlog hebben gebracht. Het voortbestaan van het grootgrondbezit zorgt er zelfs voor, dat de graanproduktie zich kan handhaven, en zelfs de buurlanden zijn na 1920 nog afhankelijk van Hongaarse graanleveranties. [Macartney, Hungary & Succ.]. Hongarije staat overigens bekend om haar zeer ongelijke bezitsverhoudingen: Weliswaar worden schatrijke lieden, aristokratische grootgrondbezitters en magnaten bevoordeeld, maar op geen enkele wijze wordt rekening gehouden met de wensen van een grote arme massa proletariërs. Volgens een telling uit 1930 bezitten 1,2 miljoen zeer kleine en kleine bezitters van ieder < 5 juk [Hongaars: hold] land, d.w.z. 74 % van het totaal aantal eigenaars van grond, samen ruim 1,6 mln hold, d.i. 10 % van de cultuurgrond. [Één hold = 0,575 ha].
Bijna 350.000 bezitters, d.w.z. 22 % van het aantal grondeigenaars, die elk 5 tot 20 hold bezitten, hebben samen ongeveer 3,5 mln hold [22 % van de cultuurgrond] in hun eigendom, 89.000 bezitters van ieder 20 tot 100 hold bezitten samen 3,2 mln hold, d.i. 20 % van de grond, en n.b. 12.000 bezitters van ieder meer dan 100 hold [0,8 % van het totaal] hebben samen bijna 8 mln hold grond in bezit, d.w.z. 48 % van de grond. Van deze laatsten zijn er ruim 1.000 grootgrondbezitters met ieder > 1.000 hold, samen 30 % van de grond. De 1.500 grootste landgoederen omvatten 40 % van de cultuurgrond. [Jászi, XII]. In totaal telt men in Hongarije ruim 1,6 mln eigenaars van grond [met een totale oppervlakte van 16 mln. hold].
Hierbij níet gerekend zijn de 3 miljoen mensen, die wel afhankelijk zijn van en werken in de landbouw, maar zelf geen stuk grond bezitten: de landarbeiders, dagloners, seizoenarbeiders en knechten. Voor hen is vaak minachting het lot, en in het parlement zijn ze ook niet vertegenwoordigd, door de Kisgazdák [= kleine grondbezitters!].
Opvallend voor Hongarije blijft dus de maatschappelijke tegenstelling, de diepe kloof tussen aan de éne kant de grote massa zeer kleine boeren [keuterboertjes] en landarbeiders die samen de meerderheid der bevolking vormen, en aan de andere kant de enorme rijkdom van de feodale, vaak adellijke grootgrondbezitters.
Voor gefortuneerden is Hongarije nog altijd het luilekkerland, met veel tolerantie en ruim voldoende persoonlijke vrijheid, een oligo-demokratie, maar zeer vele anderen zijn niet veel meer dan armoedzaaiers, hebben geen kiesrecht, tellen niet mee: Dít is "la Hongrie des grandes contradictions", aldus Miklós Molnár [in: "Victoire d'une défaite, Budapest 1956", 1968].
Volgens de volkstelling van 1920 werkt 55,7 % der beroepsbevolking in de landbouw, 19,1 % in de industrie, 5,1 % in de handel en het bankwezen, 4,7 % in de vrije beroepen en als ambtenaar, 4,4 % in het verkeer en vervoer, en 1,5 % in de mijnbouw. De overige categorieën zijn renteniers, huispersoneel, militairen enzovoorts. In 1920 woont nog bijna 60 % der bevolking op het platteland, n.l. in gemeenten met minder dan 10.000 inwoners. Meer dan ooit tevoren geldt Budapest als het centrum van Hongarije: ongeveer een vijfde deel der bevolking woont in of rond de hoofdstad. In Budapest zelf wonen 929.700 mensen. Hier is ook 80 % der industrie geconcentreerd. De industrie blijft zeer afhankelijk van de agrarische toeleveringsbedrijven, de aanvoer van grondstoffen vanuit de buurlanden.

De politieke tegenstellingen zorgen er echter voor dat de handel met b.v. Tsjechoslowakije, Roemenië en het SHS-koninkrijk gering blijft en bemoeilijkt wordt. Het onderlinge wantrouwen is enorm diep en de grote financiële en economische moeilijkheden zorgen ervoor, dat o.a. Hongarije nu eenmaal nog niet kan gelden als stabiel en betrouwbaar. Of in Hongarije de vanaf augustus 1919 bestaande conservatieve en autoritaire politiek zal blijven bestaan, of dat de situatie nog eens radikaal omver wordt geworpen door b.v. een nieuwe communistische greep naar de macht, is volgens sommigen allerminst zeker. Voor een belangrijk deel van de grootste politieke partij in het land, die der "Kleine Grondbezitters" [kisgazdák] kan een landhervorming een consoliderend effect op de zeer belangrijke boerenbevolking hebben.
De Hongaarse boeren zijn vanaf 1914 slechts verarmd, en hebben in de maanden van de bolsjewistische radenrepubliek fel verzet geleverd tegen de rode diktatuur. Een nieuwe wet, die de traditionele verhoudingen bekrachtigt, wordt vergemakkelijkt doordat tijdens de [raden-] republiek de landgoederen nooit aan de boeren zijn gegeven!
Ruim de helft der Hongaarse bevolking, nu in totaal 7,6 miljoen inwoners, leeft nog steeds van het boerenbedrijf. Zelfs bezitten ongeveer drie miljoen mensen [d.w.z. inclusief gezinsleden], de overgrote meerderheid der plattelandsbevolking, geen enkel stuk land of slechts een zeer klein lapje grond, van 1 tot 5 hold. Hongarije geldt dan ook als ”het land van de drie miljoen bedelaars”.
Er zal nu, zo is aangekondigd, een meer rechtvaardige verdeling van de grond komen. Onrust en anarchie, rebellie en oproer zullen anders opnieuw in Hongarije worden aangewakkerd, zo denkt menigeen. De "landhonger" is immers groot, en het nieuwe regime zal pas werkelijk populair worden, wanneer er een bevredigende oplossing voor het grondbezit, dat betekent een herverdeling, heeft plaatsgevonden. De feodale sociaal-economische toestanden in Hongarije schreeuwen immers om verbetering op korte termijn.
Intussen zijn de grootgrondbezitters in Hongarije echter weer een macht van betekenis geworden, en zij wensen geen versnippering. Een radikale landhervorming vinden zij uit den boze. Om de ontevredenheid bij de arme boeren weg te nemen, komt de minister van landbouw, Gyula Rubinek, dus in 1920 met een gematigde, bescheiden, wet op de landhervorming. Terwijl deze minister, al jaren lang vertegenwoordiger van de welvarende, rijke boeren, en hun organisatie OMGE, zo weinig mogelijk echte landhervormingen wenst, wil iemand als Nagyatádi Szabó, die al jarenlang vertegenwoordiger van de kleine bezitters in de politiek is, juist zoveel mogelijk arme boeren en landarbeiders via enig eigen grondbezit tevreden stellen.
Met name aan degenen die in de oorlog zich hebben onderscheiden, of b.v. gewond zijn geraakt en gezinsleden, wordt grond in bezit gegeven, en degenen die niet nuttige leden van de maatschappij zijn, of politiek zich hebben misdragen [revolutie, gevaar voor de maatschappelijke orde] worden uitgesloten! [Krusenstjern, 171]. Voortaan is de groep nieuwe landbezitters uiteraard loyaal tegenover het regime. Velen spreken dus van een taktische zet van het nieuwe bewind, en een taktische zet is ook dat minister Rubinek kort voor het parlementaire debat aftreedt, en zijn departement, evenals het wetsontwerp, op 17 augustus 1920 overlaat aan de leider van de Kleine Grondbezitters, István Nagyatádi Szabó. Naar déze boerenleider wordt de wet XXXVI 1920 later genoemd, hoewel de nieuwe minister in feite geen van zijn vroegere wensen heeft kunnen verwezenlijken. Deze minister had ook geen ervaring, bekwaamheid of charisma om met magnaten de strijd aan te gaan.
Volgens de nieuwe wet van 7 december 1920 worden de bezitsverhoudingen op het platteland in Hongarije dus niet wezenlijk veranderd, ondanks het feit, dat er nu ruim 400.000 mensen, waaronder 300.000 landarbeiders en kleine boeren, een eigen stuk land in bezit kunnen nemen. Slechts 7 % van het oppervlak, 1,2 miljoen van de ruim 16 miljoen hold, [d.w.z. 600.000 ha] wordt verdeeld onder 700.000 nieuwe eigenaars. Onder de arme boeren met grondbezit blijven er zeer velen, die nauwelijks een halve hectare [d.w.z. één hold of morgen = 0,575 ha] land bezitten, en dus niet zullen kunnen rondkomen.
Aan de zeer moeilijke positie van de kleine en middelgrote boeren wordt niets wezenlijks veranderd en het feodale grootgrondbezit blijft van overheersend belang. De sociale tegenstellingen blijven in Hongarije dan ook levensgroot bestaan. Nagyatádi Szabó, de minister, laat al in februari 1921 ook nog blijken dat wat hem betreft, de wet op de landhervorming helaas niet of veel te langzaam wordt doorgevoerd.
Dat is, volgens de minister zelf, te wijten aan verzet van grootgrondbezitters en onverschilligheid van de bestuursautoriteiten! Van een krachtige en zelfstandige boerenstand, van vele levensvatbare kleine bedrijven zal dus in Hongarije ook in de komende jaren geen sprake zijn. Uitdrukkelijk vermeldt de wet b.v. dat niemand persoonlijk aanspraak kan maken op recht op grondbezit. Het geheel van deze landhervormingswet lijkt ook nu weer op een grote gunst, zoals die al eeuwen nu en dan door de hoge overheid aan haar onderdanen kan worden verleend. Bovendien kan men concluderen, dat Nagyatádi Szabó zich aan de nieuwe realiteit volstrekt heeft aangepast, en z'n eigen ideeën over [veel radikalere] hervormingen heeft ingeslikt. Hij heeft waarschijnlijk ook wel geweten, dat een meer progressieve, radikale opstelling, hem en de kleine boeren in Hongarije in de gegeven omstandigheden helemaal niets zouden hebben opgeleverd. Uit zijn verklaringen in het parlement mag men concluderen, dat hij, wanneer de financieel-economische situatie beter wordt, verder wil gaan op de weg van landhervormingen. [Krusenstjern, 176]. "De basis voor verdere radikale arbeid is gelegd", aldus de krant "Kisgazda" van 22 augustus 1920.
De regering belooft in het geheim aan de kleine grondbezitters ook de bevordering van agrarische kredietvorming op het platteland en de vorming van coöperaties en woningbouw. De wet wordt tenslotte met algemene stemmen aangenomen, maar Hongarije blijft hiermee wat betreft een landhervorming achter bij verschillende andere landen in de regio. Er moet echter op gewezen worden, dat enkele andere landen slechts op kosten van voormalige Hongaarse grondbezitters tot radikale landhervormingen zijn overgegaan. Men heeft, bijvoorbeeld in Tsjechoslowakije en Roemenië, voor altijd de Hongaarse grondbezittende klasse willen uitschakelen! Het feit dat de grootgrondbezitters in Hongarije zelf blijven bestaan, is echter óók de reden dat de graanproduktie niet afneemt, integendeel. "Ein leistungsfähiger Grossgrundbesitz ist unerlässlich" voor een land dat zoals Hongarije op de agrarische export is aangewezen, aldus Horthy, en vele aristokraten in Hongarije zullen hiermee van harte instemmen. Men gaat daarmee voorbij aan de oude wens van veel boeren en pachters tot een klein stuk eigen bezit, maar volgens Horthy en anderen ”is er in Hongarije nu eenmaal niet voldoende land om aan de landhonger van alle boeren te voldoen”. [Sakmyster, 81]. In het kader van de landhervorming krijgen ook vroegere officieren en soldaten van het Nationale Leger, die zich vanaf de zomer van 1919 hebben onderscheiden en gendarmes, land in bezit. In de militaire regent Horthy begint men zelfs in kringen van grootgrondbezitters en grote ondernemers geleidelijk 1920/21 iets te zien van de garant voor economisch en politiek herstel en stabiliteit, en van het herstel van orde en rust. Er is immers geen militaire diktatuur op komst, ondanks het feit dat er een admiraal aan het hoofd van de staat en van het leger is gekomen, en evenmin hoeft men bang te zijn voor een sociale revolutie. Het is, zo denken velen, mogelijk dat de binnenlandse politieke ontwikkelingen op deze wijze een beetje tot rust komen, maar ondanks de landhervorming die in 1921 wordt doorgevoerd, blijft het agrarische probleem bestaan, o.a. doordat veel bedrijfjes inefficiënt en klein blijven. Toch blijven de kleine grondbezitters voor Horthy een betrouwbare ‘patriottische, oprechte en conservatieve’ sociale groep. [Sakmyster, 81].

Dit alles wil echter zeker niet zeggen, dat Hongarije daarmee uit de nood is. Een inflatie kondigt zich al enkele maanden, in feite al sinds 1914, aan. Ooit was, in 1913, de Oostenrijkse en Hongaarse kroon $ 0,215 waard, ofwel: 1 $ = bijna 5 kroon [Hongaars: korona]. Aan het einde van 1919 krijgt men in Hongarije voor 1 $: 125 korona.
In januari 1920 moet men voor 1 $ al 200 korona neertellen. Aan het einde van de oorlog, in oktober 1918 heeft de kroon al 60 % van haar waarde verloren. Men krijgt dan voor 100 Zwitserse francs 227 korona, en in de zomer van 1919 heeft de kroon nog 15 % van z'n waarde: 987 korona voor 100 Zwitserse francs. In de zomer van 1920 krijgt men voor 100 Zw fr: 3.500 korona, in de zomer 1922: 19.000 korona, en in de zomer 1924 zelfs 1,8 miljoen korona. De geldvoorraad stijgt dus enorm: In de zomer van 1921 is 17,3 mrd Kr. in Hongarije in omloop, in de zomer van 1922: 46,2 mrd, zomer 1923: 399,5 mrd, zomer 1924; 2.486,3 mrd. [Berend & Ránki].
Een gigantische inflatie in dit uitgeputte land is echter nog niet eens alles; Hongarije wordt in 1920 ook nog verplicht tot herstelbetalingen aan de voormalige vijand, die van Hongaarse kant "toch zoveel schade heeft ondervonden".....
Pas in oktober 1923 stelt het Comité voor Herstelbetalingen van de Entente, de overwinnaars, het precieze bedrag aan herstelbetalingen vast, en bepaalt dat Hongarije in 20 jaar 200 miljard goudkroon moet betalen! Van de nationale schuld van de Donaumonarchie moet Hongarije, zo wordt in 1920 bepaald, 48 % d.w.z. 2,34 miljard kroon overnemen. [Berend & Ránki]. Opgemerkt moet worden, dat men in Parijs blijkbaar nooit heeft gehoord van het feit, dat de Roemenen hun deel van de buit in Hongarije allang -vanaf de wilde zomer van 1919- ruimschoots binnen hebben gehaald... In september 1921 begint Hongarije met de levering van 800 ton steenkool per dag aan het SHS-koninkrijk. [idem].
Op financieel en economisch gebied is Hongarije dus evenzeer zwaar getroffen. De gevolgen van de nieuwe grenzen zijn bovendien funest voor de economische betrekkingen, voor de handel, het verkeer, de afzet van industriële en agrarische produkten, de aanvoer van grondstoffen, de betalingen in de nu ineens verschillende en ongelijkwaardige munten, etc. Elke staat meent na de zegepraal van 1918/19 immers als zichtbaar teken van de politieke soevereiniteit uiteraard ook een zoveel mogelijk protektionistische economische politiek te kunnen voeren.
Hongarije heeft evenwel geen zege behaald, en de gevolgen hiervan blijven nog vele jaren lang zichtbaar. De bevolking lijdt hieronder, is uitgeput en wanhopig. De gigantische inflatie, de enorme inkrimping van het grondgebied, de politieke instabiliteit, de bezetting van grote delen van het land, de vlucht van honderdduizenden, de plunderingen en andere gewelddaden hebben ervoor gezorgd dat vrijwel alle vertrouwen in de autoriteiten [èn alle zelfvertrouwen!] is weggevaagd. Wellicht kan de -weliswaar met de sterke arm bereikte, en van bovenaf opgelegde- politieke orde nu eindelijk voor enige verbetering, rust en vooruitgang zorgen.
Premier Teleki denkt vervolgens ook aan een akkoord met de [gematigde] sociaal-demokratische partij [MSZDP] om de interne consolidatie van het land te bevorderen, maar zelf komt hij niet aan toe. Wel boekt Teleki met zijn politiek van bescheiden hervormingen en consolidatie enig sukses, en "we lijken weer op het juiste spoor te zijn", aldus Horthy in z'n memoires. [blz. 141]. Eerst is de binnenlandse vrede en stabilisatie aan de orde gekomen, en Hongarije moet zich nu wijden aan de wederopbouw en de contacten met het buitenland. Op 13 november 1920 bekrachtigt de nationale vergadering het vredesverdrag van Trianon, zij het onder protest, en het isolement van dit land is hiermee bij lange na nog niet verbroken! Maar ook de binnenlandse vrede en rust lijken niet echt hersteld, want alleen al de ‘koningskwestie’ houdt de gemoederen bezig, en het blijkt dat alle partijen hierover intern zeer verdeeld zijn en een los geheel vormen.
Een gevolg van de verdeeldheid over de koningskwestie [zie hierboven] is op termijn, dat zich o.l.v. de advokaat Károly Rassay [1886-1958], die van nov. 1919 tot maart 1920 staatsecr. van justitie was, een kleine liberale groep als "Onafhankelijke Partij van Kleine Grondbezitters, Akkerbouwers en Burgers" blijvend buiten de Partij van Kleine grondbezitters [Kisgazdapárt] stelt, en dus in oppositie gaat. Deze partij van Rassay houdt de steun van een aantal demokratisch en liberaal gezinde burgers, en verandert later haar naam in "Nationale Liberale [= Szabadelvű ofVrijzinnige] Partij" en in februari 1921 richt men samen met de sociaal-demokraten en de Onafhankelijkheidspartij van 1848 en met enkele kleine groepen en partijloze liberalen een "Verbond van Burgers en Arbeiders" op, maar meer dan plannen voor meer burgerlijke vrijheden levert dit verbond niet op. [Pölöskei, 107].
Toch kunnen de liberalen in het parlement in Budapest zich nog steeds laten horen, b.v. in maart 1921 wanneer opnieuw wetsvoorstellen worden besproken, die "de openbare orde van staat en maatschappij moeten beschermen". Rassay, Bárczy en anderen leggen er dan de nadruk op dat de burgerlijke vrijheden moeten worden hersteld en dat het systeem van internering moet verdwijnen, maar ze hebben wel in de gaten, dat "de bolsjewistische bedreiging" door het regime wordt gebruikt als voorwendsel om om de burgerlijke vrijheden permanent te onderdrukken! Deze wet is, zo zeggen ze, niet meer dan een middel om een politiestaat in te stellen! Ook nu blijkt dat de oppositionele, liberale protesten in het parlement bij de grote meerderheid toch geen gehoor vinden. [Pölöskei, 105/106].
Gevolg van de toegenomen spanning over de zgn. 'koningskwestie' is ook, dat menige realistische ondernemer en grootgrondbezitter met politieke ervaring en economische macht, zich afkeert van dit onwerkelijke en zinloze parlementaire spel. [Pölöskei, 103]; zij beseffen dat alleen een compromis en matiging mogelijk zijn.
Na een jaar is dus wel duidelijk dat er in Hongarije geen militaire diktatuur komt, maar wel dat het systeem [de ‘nieuwe orde’] autoritair en conservatief is. Wel blijft het pluralisme in parlement en media [de pers], maar Horthy hield toch een zekere minachting voor het parlement, hoewel hij wel veel respekt voor tradities heeft, dus ’t blijft….. Ook de trots van de adel op de ongeschreven Hongaarse grondwet en een onafhankelijk parlement speelt een rol [à la Groot-Brittannië!], maar er bestaan wel garanties voor een grote [”christelijk-nationale”] meerderheidspartij. In november 1920 bestaan er overigens al plannen voor een beperkter kiesrecht en voor István Bethlen als premier, en pragmatisch als hij was had hij ook wel enig respekt voor de ‘eeltige hand’ van de werkers. [Sakmyster, 82]
Herhaaldelijk zei hij dat hij tot de Hongaarse arbeiders, als ze hard werken en niet staken, met een open oor luistert naar hun grieven, en in een geheim gesprek met de gematigde soc.-demokratische leider Ferenc Miákits [zie ook blz. 25/26] in juli 1920 zegt hij: als eenmaal het regime is gestabiliseerd, dan kunnen sociaal-demokraten ook hun vertegenwoordigers in het parlement krijgen!. Met kerst 1920 is er zelfs sprake van een algemene amnestie!
Maar die geldt óók voor officieren die zo kort geleden nog in de greep van het “patriottisch enthousiasme” [hazafias felbuzdulás] waren….. Toch is er in 1920 een zeker sukses geboekt. De rust is weer hersteld na de turbulente jaren, een betrouwbaar en vastbesloten imago is opgebouwd [na de verschillende wilde plannen!] en er is een persoonlijke band met arbeiders en joden geschapen, terwijl die met de extremistische rechtse officieren toch níet geheel is verbroken.… Horthy schiep dus een beeld van betrouwbaarheid en sympathie, oprechtheid.
”The fact that after one year of Admiral Horthy’s regency Hungary had made significant progress in recovering from the traumatic events of 1919 did not escape the notice of foreign political observers. [Sakmyster, 83/84].
Met name in de ogen van Britse en Amerikaanse waarnemers is Horthy een voorbeeld van welwillendheid, een eerbaar leider, wel een beetje ouderwets en strak in z’n denkbeelden maar niettemin betrouwbaar in strijd tegen het communisme, en bovendien een bewonderaar van de Angelsaksische wereld, kortom: ”verreweg de beste man om de interne situatie in Hongarije te consolideren”. Zelfs de notoire anti-Hongaarse ČSR-minister van buitenl.zaken Beneš zei [eind 1920] dat ”de regent een handig staatsman was wiens regime meer solide was dan velen dachten”. Toch is er wel sprake van een groeiend aantal ontevredenen die de populariteit van Horthy maar niks vinden, zoals de aristokratie, de legitimisten, de rooms-katholieke kerk. En wanneer eenmaal de Vrede van Trianon is getekend, waardoor de positie van Hongarije voor de komende tijd zo goed als vast ligt, maakt de vroegere koning Karl [IV. Károly] zich -volgens de allang bestaande plannen- op om naar Hongarije terug te keren! [Sakmyster, 84]
De desintegratie van de ”regeringspartij” [die nog lang niet één geheel vormt] gaat intussen verder, hoewel men wel beseft dat geen van beide vleugels in staat is om alleen te regeren. Alle nadruk op de zo gewenste stabiele binnenlandse verhoudingen levert dus niets op, en leidt intussen de aandacht af van de zeer slechte economische toestand en van de buitenlandse betrekkingen, die vanaf de ondertekening van het vredesverdrag weer op gang komen. De beloften van minister van financiën Lóránt Hegedűs, die altijd enthousiast en optimistisch is, en op zijn ervaring pocht, lijken intussen ook meer op loze kreten. Toch gelooft men dat, als men zijn plannen en voorstellen aanvaardt, Hongarije’s economische en financiële situatie binnen een jaar gestabiliseerd kan zijn......[Pölöskei, 106].
Premier Teleki wenst nu ook betere buitenlandse betrekkingen, en hij gaat op 14/15 maart 1921 met Gusztáv Gratz naar Bruck a/d Leitha, dichtbij de grens met Oostenrijk èn dichtbij Bratislava [Pozsony], en pleegt hier zelfs overleg met Beneš over de politieke problemen, maar ondanks enkele suggesties van Benes blijven de betrekkingen met de ČSR slecht. De Tsjechoslowaakse president Masaryk mag dan tegenover Hongarije met woorden gematigd en verzoenend zijn en bereid zijn tot enkele territoriale concessies, in feite bepaalt zijn minister van buitenlandse zaken dr. Edvard Beneš het beleid, en díe is daar fel op tegen. [Kertész, 24]. Ook wat Oostenrijk betreft zijn de betrekkingen met het nieuwe [oude] buurland in het oosten nog niet definitief geregeld, want Hongarije is op last van de Volkenbond nog verplicht om het westen van het land, het latere Burgenland, te ontruimen. Dat is evenwel nog een lastige zaak.

|