< Terug

13. Hongarije en de Tweede Wereldoorlog,  1939-1945

13.1.6 De populaire premier graaf Teleki na augustus 1940. 

In Hongarije heeft men dus, zo blijkt, nog nauwelijks in de gaten dat voor de terreinwinst van 1940 en hoge prijs moet worden be­taald. Na het Tweede Weense Scheidsgerecht van 30 augustus 1940 eist Berlijn van Hongarije verscheidene belangrijke concessies, naast de eerder genoemde privileges voor de Duitse minderheid in het land.
Dat ook premier Teleki de geleidelijk sterker geworden Duitse invloed en met name de sterk toegenomen invloed van het leger in de samenleving, bijvoorbeeld op economisch terrein, wel be­seft, is duidelijk wanneer hij al op 1 september 1940, onmid­dellijk na het akkoord van Wenen, zijn ontslag bij de regent indient, vooral omdat hij vindt, dat de legerleiding in Honga­­rije, d.w.z. de generale staf, die veel meer pro-Duits is dan de premier zelf, teveel invloed heeft op de politiek.
Teleki is privé bang dat de winst aan gebied een Pyrrhusoverwinning voor Hongarije is; en voegt bij z’n ontslagaanvraag een memo waarin hij o.a. klaagt dat Hongarije in feite twee regeringen heeft, de wettige én een ongecontroleerde militaire “die tot in bijna alle takken van het burgerlijke bestuur is doorgedrongen”, de soldaten zijn volgens Teleki zó machtig dat ze een militaire diktatuur van onderaf hebben geschapen! Ook bij de Tweede Scheidsrechterlijke Uitspraak was de rol van de militairen groot want de stafchef [gen. Werth] ”kwam steeds tussenbeiden en plaatste de premier in vervelende positie, hetgeen een schending van de constitutie betekent die het Hongaarse belang schaadde”, aldus Teleki. Hij acht zichzelf overigens ook schuldig en verantwoordelijk voor deze ontwikkeling; en de premier verklaart dat hij al maanden in funktie bleef alleen uit loyaliteit aan de regent… [Sakmyster, 248/249].
Hij beseft dus zijn onmacht in een Hongaarse samenleving die steeds meer wordt gemilitariseerd: de burgerlijke regering is niet meer in staat om het militaire apparaat te controleren. [Confidential Papers, 136]. De aktiviteiten van militairen in politieke zaken moeten worden onderdrukt, maar dát is Teleki nu juist niet gelukt!
Hij vindt ook dat Hongarije zich nu niet verder aan Duitsland moet binden. Horthy weigert echter het ontslag te aanvaarden. Hij heeft n.l. geen andere keus en vertrouwt buiten graaf Teleki om maar zeer weinig politici.
Horthy heeft overigens met memo van Teleki [zie hierboven] over de veel te grote invloed van de militairen op het beleid in het land èn de dreiging met aftreden wel gelezen en hij gaat hierop ook in. Hij is immers als opperbevelhebber zelf verantwoordelijk voor de grote rol van de militairen, maar na overleg in september met Teleki, Werth en de min.v. defensie Bartha komen er slechts kleine wijzigingen die de positie van de premier zouden versterken, maar die zijn niet van enig belang. Belangrijker is dat Teleki tijdelijk tevreden gesteld is en beseft “dat Horthy achter hem staat”. [Sakmyster, 249], maar de enorme druk van de militaire leiding op de burgerlijke regering blijft dus bestaan…. Bij het Hongaarse publiek is Teleki overigens buitengewoon popu­lair: hij is er immers tot nu toe in geslaagd om het land buiten de oorlog te houden èn tegelijk behoorlijke terreinwinst voor het land te boeken, de economie leeft op, en het land klimt omhoog uit de diepste vernedering [van Trianon, 1920]. Die ontslagaanvraag lijkt dan ook maar een incidentje…..
Men heeft algemeen de overtuiging dat graaf Pál Teleki er in is geslaagd om voor Hongarije zoveel mogelijk winst te beha­len en dat hij zich terecht niet met het grote conflict van de Duitsers en Engelsen wil bemoeien. Hongarije moet niet in de oorlog worden betrokken maar moet integendeel de deuren naar beide kanten openhouden, aldus Teleki. Het gaat hem slechts om de belangen van de Hongaarse natie, hij wil tijd winnen, erger voorkómen, zoveel mogelijk van de Hongaarse "way of life" redden, en het gaat hem er zeker niet om, om bij de Duitsers in een goed blaadje te komen. Hij geldt dus als een prima vertegenwoordiger van Hongaarse belan­gen, en men heeft in het algemeen veel vertrouwen in deze conservatie­ve en nationalistische edelman. Kán echter het ergste [betrokkenheid bij de oorlog] nog worden voorkómen? Ook aan de Hon­gaarse autoritei­ten wordt namelijk door de Duit­sers min of meer de wacht aangezegd en wat de Hongaarse premier Teleki dan aanbiedt, valt bij die Duitse wensen volkomen in het niet. Die wensen, of beter: eisen stapelen zich namelijk op.
Uit dankbaarheid voor de "terugkeer van het oosten" kondigt de regent b.v. op 16 september 1940 een algemene amnestie af en nu wordt o.a. ook aan Ferenc Szálasi gratie verleend, en hij wordt vrijgelaten.... onder Duitse druk en op Duitse wens want de tegenzin van Horthy blijft, en is nog groter geworden na het ontdekken -in augustus 1940- van een duister, bizar complot van twee parlementsleden der Pijlkruisers die Horthy zouden hebben willen ontvoeren  op weg naar Kenderes [waar hij privé woont] en hem dan gevangen zouden houden en dwingen om Szálasi tot premier te benoemen. Wie zich tegen de Hungarista-staat van Szálasi zou keren -zoals b.v. minister Keresztes-Fischer- moet maar worden geëxecuteerd. Tenslotte ontlopen de beide complotteurs n.b. een vervolging vanwege hun parlementaire onschendbaarheid…[Sakmyster, 250]. 
Ook eist Duitsland al in september en oktober 1940 in Honga­rije een ge­hoorza­me, gelijkge­scha­kelde pers, vervul­ling van de economi­sche verplichtingen, sociale en landhervor­min­gen, afschaffing van de feodale struk­turen, invoering van een één-partijregime, concessies aan de Duitse minderheid [zie hierboven], een zogenaamde "oplossing van het Joodse vraagstuk", d.w.z. een nieuwe Joden­wet, en amnestie voor o.a. de leider der fascisti­sche "Pijl­krui­sers", Szálasi. [Nagy-Talavera, 164]……..Dit wordt in september 1940 in grote lijnen aangegeven door de Hongaarse gezant in Ber­lijn, generaal Sztójay [van Servi­sche af­komst: tot 1935 heette hij Stojákovits], die immers een vastbe­sloten optre­den van Honga­rije aan de zijde van het Reich voor wense­lijk houdt: de Hongaren zullen een officieel verdrag met de As moeten slui­ten!

top

Ook hij is een hitleri Németország feltétlen híve [een onvoorwaardelijk gelovige in Hitler-Duitsland], net als Werth! Hongarije moet nu dus komen met extra leveran­ties van grondstoffen en levensmiddelen aan Duitsland, radika­le stappen ondernemen inz. de "Joodse kwes­tie" en een aantal personen aan de top ver­vangen. [Allianz, 72, Juhász, 175/176] en het zal duide­lijk zijn dat een klein land als Honga­rije [vrijwel] onmo­gelijk aan deze Duitse eisen zal kunnen voorbij­gaan! Op de lange duur lijkt de posi­tie van een nog gema­tigd man als Teleki, de voorzichtige edelman en intellectueel, als rege­ringsleider van een Mid­den-Eu­ropees land dan ook hope­loos, want ook Hongarije komt steeds meer onder druk te staan. Ondanks de aanwezigheid en de normale economische aktivitei­ten van bijvoorbeeld vele hon­derdduizenden Joden en de uiterlijke rust in het land, gaat de penetratie van de Duitsers in Hongarije steeds verder. Op 10 oktober 1940 wordt weer een nieuw econo­misch samenwer­kingsverdrag tussen Hongarije en het Duitse Rijk geslo­ten waardoor de Hongaarse export naar het Reich verder kan toene­men.
Het Derde Rijk beschouwt, zoals bekend, Honga­rije als beho­rend tot haar "Interessensphäre", en de landen in Zuid-Oost-Europa komen, naarmate de oorlog voort­duurt, steeds meer als leveranciers van agrarische en minerale grondstoffen als graan, olie, bauxiet en mangaan en van levensmiddelen in dienst van de Duit­se oorlogseconomie en -industrie.Vanaf december 1940 staan trouwens Hitlers geheime plannen voor een aanval op de Sov­jet-Unie al vast en de landen in het Donaugebied en op de Balkan kunnen -als die aanval plaatsvindt- tevens dienen als basis voor een opmars tegen de Russen.
Door de oorlog is in Hongarije ook sprake van een economische bloei, een snelle opleving, en o.a. door de voedselvoorzie­ning voor het leger en door de urbanisatie neemt het binnen­lands gebruik ook snel toe, maar de agrarische produktie [van graan] neemt af. De aanvoer van overzee neemt ook snel af, hier en daar beginnen tekorten op te treden, en ook de werk­loosheid stijgt iets, maar met name de produktie van industriële grondstoffen stijgt snel en dat dient de oorlogsindustrie! De produktie van aardolie is b.v. in 1938: 42.000 ton  en in 1943:  842.000 ton, van bauxiet in 1938: 500.000 ton en in 1943: 1.000.000 ton en die van mangaanerts in 1938: 50.000 ton en in 1943: 100.000 ton. In Hongarije worden later, in 1942/43, ook een aluminiumfa­briek en een vliegtuigfabriek opgericht. In het algemeen neemt de industriële produktie snel toe, van 1938 tot 1943 met 38 %. Vanaf 1938 bouwt Hongarije zelf ook tanks [van het type Tol­di], een verouderd model, en later in de oorlog van het type Turan I II en III. De luchtmacht beschikt in december 1940 al over 302 militaire vliegtuigen, waarvan echter in maart 1941 slechts 2/3 deel operationeel is. Het aandeel van de lichte en levensmiddelenindustrie, en van alle takken van industrie, die voor de oorlog niet direkt noodzakelijk zijn, neemt af.
Voor het eerst in de Hongaarse geschiedenis is het percentage van de agrarische beroepsbevol­king nu tot beneden de 50 % gedaald, en ook voor het eerst is het aandeel van de industrie in het bruto nationaal produkt nu hoger dan dat van de landbouw. In 1938: 36,5 % agrarisch en 35,7 % indus­trieel.
Ook in Hongarije blijft het kapitaal geconcentreerd bij enkele grote bedrijven en banken, en 1/4 der aandelen in de indus­trie is in buitenlandse handen [1/2 Duits]. De over­heidscontrole en -invloed op de agrarische en indus­triële produktie neemt in de oorlogsjaren -zoals ook elders- sterk toe want de con­trole op prijzen, lonen en bijvoorbeeld de mijnbouw zijn voor de nijverheid van groot belang en vanaf 1940 is er ook sprake van gedwon­gen leveran­ties van agrarische produkten, en van een ministe­rie van voedselvoor­ziening, onder leiding van de later zo beruchte Béla Jurcsek [1893-1945]. Zo komt ook dit land steeds meer in de Duitse sfeer en raakt het onder andere op economisch gebied bij de As en bij de oorlog be­trokken, hoewel het in oktober 1940 nog steeds tot de niet-oorlogvoerende landen behoort. Alleen dankzij de oor­logsindus­trie is er immers sprake van zo'n economische hausse.
De regering van premier Teleki heeft dus, ondanks haar belof­ten om de "zelfstandigheid en onafhankelijkheid" van Hongarije te handhaven, in feite toch wezenlij­ke, zeer belangrijke concessies aan de Duitsers ge­daan, maar ondanks de economische en politieke vervlechting van Honga­rije met het Duitse Rijk is Berlijn toch nog lang niet tevre­den over Hongarije. De Hongaar­se aanpak van "het Joodse vraag­stuk" is b.v. vèrre van voldoende, volgens de Duitsers, maar men is er in Berlijn wel van overtuigd, dat de tijd -ook in Hongarij­e- werkt voor Duits­land.

Bezoek van Horthy aan Noord-Zevenburgen, sept. 1940

top

Ondanks het feit dat Hongarije niet-oorlogvoerend is, hebben zich ook in het leger, de "Koninklijke Hongaarse Landsverdedi­ging" [Magyar Királyi Honvédség], grote veranderingen voorgedaan. In de eerste plaats heeft Hongarije zijn leger sterk uitge­breid, zoals alle omringende landen dat vaak al eerder hadden gedaan, de militaire dienstplicht is ingevoerd, en officieren nemen een belangrijke plaats in bij allerlei burgerzaken.
Het Hongaarse leger is daarmee allang niet meer wat de opper­bevelhebber, admiraal Horthy, er zelf van denkt. Horthy, die zelf tot de ondergang van de Donaumonarchie in 1918 bevelhebber van de K.u.K.-vloot is geweest, heeft n.l. nog de visie van de oude tijd van die Oostenrijks-Hongaarse Monar­chie overgehouden. Trouw aan de hoge overheid, persoonlijke loyaliteit van de officieren jegens de Keizer en Koning als staatshoofd en hoogste bevelhebber. Een stafchef, die alleen aan het staats­hoofd verantwoordelijk is, een strijdmacht die geheel buiten -en zelfs bóven!- de politiek staat, en een staatshoofd dat als enige, geheel buiten het kabinet om, de persoonlijke verant­woordelijkheid voor de strijdkrachten -en daarmee voor het vaderland- heeft, de nadruk op het nationale gevoel, op de ridderlijkheid van de Hongaarse natie.... Het zijn stuk voor stuk de romantische, oude 19e eeuwse voorstellingen die in Hongarije bij het staatshoofd, de Rijks­be­stuurder Milkós Horthy von Nagybánya, nog springlevend zijn maar die in de 20e eeuw, na de eerste wereldoorlog, volstrekt zijn achter­haald.
Deze ideeën passen echter wel in een Hongarije zónder veel demokra­ti­sche, maar wèl met veel militaire tradities, met een mili­tant en patriottisch re­gime, en met militairen die een zekere minach­ting voor burgerpolitici hebben.
Men is in zo'n land absoluut níet gewend om compro­mis­sen te zoeken, niet gewend aan politieke onderhan- delingen ["koehandel"] of aan een zeker even­wicht, aan een dialoog of aan een coalitie, laat staan aan wezen­lijke invloed van het volk, de kiezers, en een Hongaarse premier heeft in wezen slec­hts het vertrouwen nodig van de Regent, admiraal Horthy, en niet eens zozeer van het parle­ment, zoals al eerder is gezegd.
Men ziet de buiten­landse politiek als een eeuwig ge­vecht tussen staten met uitsluitend nationale, eigen­, belangen, en de binnen­landse politiek wordt vrijwel alleen in verband gebracht met politie­optreden, gezag, unifor­men, ge­hoorzaam­heid, respect voor de overheid, een zekere dwang, orde en het handhaven van de openbare rust.
­Een gevolg van deze ideeën is o.a. dat ook in deze oor­logs­jaren de chef van de generale staf en de minister van defen­sie [oorlog] geheel buiten het kabinet om nogal eens op eigen houtje optre­den, overleggen, plannen bera­men, dat wil zeg­gen: samen met hun Duitse colle­ga's. Ook het sta­ats­hoofd weet daar bij enkele beslis­sende momenten niets van, of wordt alleen maar achteraf van het -soms fatale- besluit in kennis ge­steld. Men kan dan mis­schien niet eens meer goed nagaan of Horthy zelf, of dat zijn stafchef verantwoorde­lijk is geweest, maar een feit is dat Horthy persoonlijk altijd het meest genoten heeft van zijn funktie als Opperste Krijgsheer [opper­bevelhebber], en dat hij het leger altijd als hèt geëi­gende instrument van de staats­macht heeft gezien. 
Het is de ruim 70-jarige Horthy [* 1868], ooit de laatste bevel­hebber van de Keizerlijke en Koninklijke Oosten­rijks-Hongaarse vloot, die persoonlijk ook nog een eed van trouw aan Keizer en koning Franz Joseph I heeft afgelegd, niet helemaal kwalijk te nemen, maar de situatie is wel geheel gewijzigd!
In het zeer kleine Hongaarse leger van na de "Vrede van Tria­non" van 1920 is vooral plaats voor degenen die weinig of geen maat­schappelijke kansen en/of geen geld hadden, en bijvoor­beeld voor officieren die in de [anti-communisti­sche] zgn. Witte Terreur van 1919/20 een rol hebben gespeeld. Per tradi­tie dienen in het Hongaarse leger, dat tenslotte erfgenaam van het K.u.K.-leger van de Oostenrijks-Hongaarse Monarchie is, ook nogal veel officieren en anderen van Duitse [Oostenrijkse] afkomst: Duitstalige Hongaren. Zo zijn b.v. de chef van de generale staf, generaal Henrik Werth, en de vroegere minister van defensie Jenő Rátz, beiden uit het Banaat afkomstig, van Duitse respectievelijk ge­mengd Duits-Servi­sche af­komst.
Beiden hebben ook, zoals dat veel voor­komt, nogal autori­taire, rec­hts-radi­kale opvat­tin­gen. In het Duitse leger, en in het algemeen in het natio­naal-socia­listi­sche Duitsland zien zij dan ook een voorbeeld voor Hongarije! Ook heeft de vroege­re premier Gőmbős heel wat officieren benoemd op burgerposten bij een aantal ministeries, die bekend zijn om hun pro-Duitse instel­ling. [Horthy, 220] en de invloed en macht van officieren is door binnenlandse en buitenlandse omstandigheden veel groter geworden.
Buitenlandse zaken, handel en industrie, mijnbouw, de bouw, spoorwegen, een aantal financiële zaken, lonen en prijzen, arbeidsomstandigheden, onderwijs en opvoeding zijn -door de oorlogsomstandigheden- voor een groot deel of geheel afhanke­lijk van het militai­re apparaat, en…… het leger is onverzadig­baar, het probeert zoveel mogelijk middelen in handen te krijgen. Zo kan in Honga­rije zonder veel moeite een gematigd, burgerlijk kabinet zoals dat van premier Teleki, door de leger­leiding voor vol­don­gen feiten worden ge­plaatst en dat is ook meer dan eens gebeurd. [Con­fidential Papers, 133/1­40].

top

De bedreiging voor een klein en machteloos land als Hongarije wordt steeds groter, zowel van binnenuit als van buitenaf. De extreemrechtse oppositie in Hongarije kan hierbij steeds inspelen op en profiteren van de enorme militaire suksessen van het machtige Duitse Rijk in heel Europa.
Vanaf de Noordkaap van Noorwegen tot in Zuid-Italië zijn intussen vanaf de zomer van 1940 nazi's en fascisten aan de macht, en alleen Engeland is nog aktief in het bestrijden van de heerschappij van Hitler en de zijnen.
Het heeft er alle schijn van dat allerlei andere landen, zoals de Sovjet-Unie en alle landen in Zuidoost-Europa slechts bang zijn voor nazi-Duitsland en het daarom, letterlijk: in vre­desnaam, toch maar op een akkoord met die supermacht hebben gegooid of nog willen gooien. Ook in Hongarije zijn zeer velen, die alleen via een soort appeasement met Hitler hun natie voor het allerergste denken te kunnen bewaren.
Er zijn ook anderen, die de bui zien hangen, en voor het geweld bezwijken in stilzwijgen, op de vlucht gaan, of nog altijd hun stem verheffen, maar zelfs in het rustige Hongarije, waar men zich vastklampt aan Horthy en Teleki, die "de vrede hebben weten te bewaren", zijn ook zeer verontrustende ontwik­kelingen aan de gang die niets goeds voorspellen: óók Honga­rije raakt steeds meer in de klem van het Duitse Rijk.
Dat wordt ook zo aangevoeld door bijvoorbeeld de beroemde componist Béla Bartók [1881-1945], die juist in oktober 1940 het land verlaat, en met zijn vrouw Ditta Pásztory naar de Verenigde Staten vertrekt omdat hij het fascisme dan ook voor Honga­rije ziet nade­ren. Bartók had al in 1939 willen vertrek­ken, maar door de ziekte van zijn moeder moest dat worden uitge­steld. Nu ziet hij de bijna onvermijdelijke gevaren voor zijn land opdoemen. Hij staat al vele jaren bekend als een felle tegenstander van alle chauvinisme, natio­na­lisme en fascisme: Slowaken en Roeme­nen worden door hem immers als broeder­volken van de Hongaren be­schouwd, en in 1938 be­hoorde hij tot de ondertekenaars van een Mani­fest, waarin Hongaarse kunstenaars en intellektuelen protesteerden tegen rassendiscriminatie in hun land en tegen de nieuwe antisemitische wetgeving.
Al in 1931 protesteerde hij tegen het optreden van de Itali­aanse overheid tegen Toscanini, en schreef dat hij met be­zorgdheid zag dat autoriteiten zich steeds vaker op agressie­ve wijze bemoeiden met de aktiviteiten van kunstenaars en op 13 april 1938, kort na de Anschluss van Oostenrijk bij het Duitse Rijk, schreef hij aan goede vrienden in Zwitserland o.a.: "Er bestaat een groot gevaar dat ook Hongarije zich aan dit rovers- en moordenaars- systeem zal overgeven; de vraag is slechts wanneer en hoe. Hoe ik dan in zo'n land verder leven en .... werken kan, is niet voor te stellen”..... In een fundamentele studie van Bartók over de be­trek­kin­gen van de Hongaarse volksmuziek met die van de buur­volken, vlak voor zijn vertrek, wordt overigens nog eens even fijntjes opgemerkt, dat de Hongaarse volksmuziek geen enkele relatie heeft met die van Duitsland en Oostenrijk, en wèl met die van o.a. de Roeme­nen. [Boldizsár, 12].
Voor Bartók is dit al tientallen jaren een gegeven. Hij heeft al vele jaren geleden de eerste zwerftochten op het Hongaarse platteland ondernomen, en heeft o.a. de verwantschap van de volks­muziek van Hongaren, Roemenen en Slowaken ontdekt, samen met Zoltán Kodály en de vele onderzoeken en publikaties van Bartók kunnen slechts leiden tot één conclusie: alle volken zijn gelijkwaardig, en nationalisme houdt of maakt mensen dom en kortzichtig, bekrom­pen en dus uiterst gevaarlijk. Béla Bartók is dan ook wars van deze soort denkwijze, verfoeit alle nationalistische politiek, en ontvlucht na lang aarzelen Hongarije. Zie ook: Joop de Waard, Componisten- reeks, "Bartók", J.H. Gottmer, Haarlem, 1993. Enige maanden eerder heeft ook de al beroemde dirigent Győrgy Solti [van Joodse afkomst] Honga­rije verlaten. Allerlei andere Hongaren hebben in de jaren dertig het land ook verlaten, en zijn o.a. naar Amerika ver­trokken. Sommigen zijn om economische, anderen om politieke redenen weggegaan.
Toch bewondert het publiek in Hongarije Teleki vooral omdat hij zijn land niet in de oorlog heeft laten meesleuren en men vertrouwt erop dat een oprecht man als Teleki deze politiek zal [kunnen] voortzetten, maar er bestaat in bepaalde kring, vooral van mensen die b.v. andere landen hebben kunnen bezoeken, meer ontwikkeling hebben en een wijde­re blik op de wereld hebben, ook veel wantrouwen tegenover nazi-Duitsland, dat immers nergens voor terugschrikt. Hongarije is nu eenmaal geen eiland, en zal het met de beste wil van de wereld nooit redden tegen Duitse agressie. De overgrote meerderheid der Hongaren kan die reizen en die vergelijking echter absoluut níet maken en ziet het dierbare vaderland nog als een oase van rust……
Slechts een enkele keer wordt die rust een beetje verstoord maar dat kan worden beschouwd als een rimpeling, zo wordt algemeen gedacht. Weinigen in Hongarije -evenals elders- zijn ook direkt bij de politiek betrokken en bij beslissingen van hogerhand is men nooit betrokken! Men laat het over zich heen komen en slechts weinigen kunnen zich laten informeren via een krant of zelfs de radio! Bovendien zijn deze media niet kritisch ten opzichte van de overheid. Men leeft vaak nog in een buitengewoon rustige, landelijke, wat feodale en traditi­o­nele sfeer, en onderhoudt zeer weinig contacten daarbuiten…….. De verbindingen zijn slecht, de taalbarrière over de grens is enorm, de kloof met de hoofdstad Budapest is vanouds groot, en reizen is duur; het liefst houdt men dus aan het bestaande vast.

top

En toch: ieder­een -in de hoofdstad- weet wel dat bijvoorbeeld de [rechtsextremis­ti­sche] Pijlkruisers zeer aktief zijn, zich op straat verto­nen als de toekomstige heersers van Hongarije, als de fascis­tische massapartij van Hongarije volstrekt solidair wil zijn met het zegevierende Duitse Rijk, enz., maar een echt gevaar leveren zij daarmee nog niet op, denken velen. Hongarije is immers zichzelf gebleven, in grote tegenstelling tot b.v. Oostenrijk, Tsjechoslowakije, Polen, de drie Baltische landen en in 1940 ook Frankrijk, Nederland en België!
Bedenkelijk wordt het gevaar pas, wanneer die partij -zo wordt er beweerd- op 18 september 1940 de mijnwerkers gaat gebrui­ken, die ineens 30 % meer loon eisen en dus gaan staken……….. De regering wil hen slechts voor een deel tegemoet komen en het gevolg is dat er in enkele bekende mijnbouwcentra, zoals Salgótarján, Tatabánya en Pécs, stakingen uitbreken waarbij medio oktober 40.000 mijnwerkers zijn betrokken. Het is daar­mee de grootste staking sinds 20 jaren in Hongarije. Weliswaar distantiëren de leiders der Pijlkruisers zich in het openbaar van de stakingen van oktober 1940 maar men denkt algemeen dat ze toch indirekt door hen zijn veroorzaakt. De regering is dan ook op haar hoede en is bang voor een poli­tieke en sociale chaos, en zelfs misschien een Duits ingrijpen 'om de orde te her­stellen'. Men legt daarom een totaal publikatieverbod op, en grendelt de mijncentra af, stuurt soldaten naar het gebied, en laat massa-arrestaties verrichten. [Nagy-Talavera, 166/167, Laczkó, 93/94].
Dan is de staking al gauw over haar hoogtepunt heen, maar het duurt nog tot november 1940 eer ze volledig is gebroken. Er is inmiddels een compromis over een loonsverhoging bereikt en intus­sen heeft de Regent, Horthy, ook zijn grote ver­ontrus­ting laten blijken in een brief aan Teleki [14 okto­ber 1940]:
Hij is er namelijk van overtuigd dat de staking het werk is van de Pijl­krui­sers, de NK [Nyilaskeresztes]-partij, en vindt dat zij een groot gevaar betekenen en verge­lijkt hun optreden met dat van de IJzeren Garde in Roeme­nië: Deze fascistische beweging vormt met de aanhang van Antonescu een coalitie, maar ze gaat intus­sen door met ter­reuraanslagen en sabotaged­aden. Horthy oppert dan ook de moge­lijkheid om eventu­eel door massa-arres­taties, door mas­saexecu­ties en door een nieuwe gevangen­neming van Szálasi "als hij de drijvende kracht achter de akties is geweest" en zo nodig een verbod van de Pijlkruiser­spartij, hun ter­reur uit te schake­len.­[Na­gy-Talave­ra, 167].
Blijkbaar beschouwt Horthy nu de Pijlkruisers als staatsge­vaarlijk, want hij contateert dat "praktisch alles nu in handen is van mensen die met de NK-partij sympathiseren".
In allerlei hoge funkties in de industrie, het toeristische bedrijf Ibusz, de bauxiet, de wapenindustrie, een coőperatieve onderneming van de overheid, de journalistiek etc. spelen incompetente mensen van extreemrechts een leidende rol, aldus Horthy, die er op wijst dat juist dergelijke mensen van plan zijn geweest om hemzelf af te zetten, en een coup te plegen. Blijkbaar acht het Hongaarse staatshoofd zijn eigen leven niet meer veilig, en voelt hij, nota bene al in de herfst van 1940, dat de autoritei­ten de zaak niet meer goed in de hand hebben. 'Er moet iets worden gedaan om dat te veranderen'. Drasti­sche stappen moeten worden onder­no­men en zelfs moet eventueel het standrecht en de krijgswetten maar worden inge­voerd.
Horthy ziet, dat vooral onbetrouwbare, gevaarlijke en waarde­loze indivi­du­en met een grote bek, met onmenselijkheid, sadis­me en verne­de­rend optre­den, namelijk leden van de extreemrecht­se Pijlkrui­sers, langzaam maar zeker allerlei posities inne­men. Hij kan hun gedrag niet aanzien: "Ze zijn zeer ge­vaar­lijk en ze willen met hun verwar­de ideeën ons land de Duitsers in handen spe­len". [Gosztony, 86, Confidential Pa­pers, 151].
Ook klaagt de regent over het niveau van de door de regering gefinancierde Hongaarse pers dat volgens hem schandalig slecht is, "om van te kot­sen!" [Confi­dential Papers, 151] en hij acht het nu ook misdadig om de sympathie van de Engelsen en de Amerikanen te verspelen. “De constante grove aanvallen op, en het kleineren van de Angelsaksische landen is onnodig en laf ”, aldus de Hongaarse regent, maar aan de andere kant denkt hij dat de Engelsen en Amerika­nen de ernstige situatie van Hongarije nú nog wel zullen kunnen begrij­pen, ”maar dat zal niet blijven” en de geallieerden zullen de beledigende toon van de rege­ringspers in Hongarije tegen de Verenigde Staten en Groot-Britannië nooit vergeven, aldus Horthy en hij is ook blij dat premier Teleki deze onnodige en gemene aanvallen van de pers wil tegenhouden.

top

 Horthy ziet in Hongarije nu eveneens een proces op gang komen, waarbij Joden langzaam maar zeker uit hun posities in het economische en maatschappelijke leven worden gestoten maar typerend voor hem is dat hij dit proces op zichzelf niet zo erg vindt: "Ik was mijn leven lang al antisemiet, en ging nooit met Joden om.... en ik heb het als onverdraag­lijk be­schouwd dat in Hongarije elke fabriek, bank, rijk­dom, zaak, theater, krant, handelsonderne­ming enz. in handen van Joden is, en dat Joden het beeld van Hongarije zouden bepalen, speciaal in het buitenland", schri­jft hij aan Teleki! [o.a. Sakmyster, 251].
Maar hij beschouwt nu toch de Pijlkruisers als veel gevaar­lijker voor zijn land dan de Joden. "Joden hebben belang bij dit land, zij zijn veel meer trouw aan dit door hen 'geadopteerde' land dan de NK-mannen, die met hun benevelde hersenen het land in handen van de Duitsers willen spelen", aldus Horthy. [Sakmyster, 251]. Hij acht het ook onmogelijk dat binnen een of twee jaar de Joden uit het economische leven worden gestoten, en worden vervangen door bovengenoemde incompetente, vaak waardeloze en bruta­le individuen, want dan zou Hongarije failliet gaan! [Confidential Papers, 150].
Het is duidelijk dat hij de Pijlkruisers [“nyilasok”] allerminst vertrouwt en hij stelt zelfs voor hen overal uit te verwijderen ”want anders zullen ze alom sabotage plegen tegen alle energieke maatregelen van de regering” en hij stelt zelfs voor om als ze doorgaan met stakingen- de krijgswet in te voeren, de partij te verbieden, Szálasi [opnieuw] gevangen te nemen of hem eventueel ‘tegen de muur te zetten’. Ondanks dit alles spreekt Horthy in deze persoonlijke brief toch zijn volledige vertrouwen in Teleki, z’n vriend, uit en “het land steunt op uw onbaatzuchtige werk, zelfopoffering en unieke en buitengewone kwaliteiten” [Sakmyster, 251-252], maar ondanks deze emotionele brief van Horthy aan Teleki, "de enige man die hij nog ver­trouwt", [Confi­dential Papers, 153, Laczkó, 94] worden er géén stappen tegen de Pijl­kruisers onderno­men.
Szálasi blijkt trouwens geen ernstige bedreiging voor de sociale en politieke orde in het land en na het beëindigen van de stakingen in oktober doet zich geen verdere onrust voor. Extreemrechts bestaat in Hongarije immers uit acht verschillende groepen en onderling is men bitter verdeeld, en met name Szálasi en Imrédy zijn persoonlijk elkaars rivalen. Ook van belang is dat de Duitsers niets te maken willen hebben met Szálasi als leider, omdat ze uit betrouwbare bron van agenten hebben vernomen dat die ’gek en onbetrouwbaar’ is. Ook wantrouwt men in Berlijn Horthy en Teleki, maar voorlopig is stabiliteit nummer één. [Sakmyster, 252].
Typerend voor Horthy is wèl dat hij een arbeidsconflict en een staking aangrijpt om zijn grote ongenoegen te uiten over de gang van zaken. Eerder waren het naar zijn idee altijd communisten, linksen, die een omwenteling in Hongarije beoogden, nu zijn het blijkbaar de Hongaarse nazi's, de Pijlkruisers. Maar onrust op straat is en blijft het ergste dat het bewind van Horthy kan overkomen: Daartegen moeten zonder meer harde maatregelen worden geno­men. Typerend is ook het feit dat hij Joden en Pijlkruisers tegen elkaar afweegt, en beide groepen -die natuurlijk totaal niet zijn te vergelijken- als negatief voor de Hongaarse natie be­schouwt.
Wel belooft Hongarije, bij monde van premier Tele­ki, in okto­ber 1940 aan de Duitsers om verdere maatregelen te treffen tegen de Joden. [Allianz, 73] en ook dát betekent een conces­sie na het ca­deau­tje van 30 augustus 1940!
In het Hon­gaarse parlement verklaart de premier op 8 oktober 1940 dat hij weldra met een derde Jodenwet zal komen, die ”helder, radicaal en eenvoudig, zonder complicaties en moge­lijkheden tot uit­vluchten” zal zijn...., en één week later wordt Hongarije lid van het Driemogendheden­pakt....
Zo wordt nu duidelijk, dat zowel de binnen- als de buiten­landse poli­tiek van Teleki in steeds meer rechtse, pro-Duitse, rich­ting gaan en men realiseert zich hierbij in het algemeen -in het kleine politieke wereldje van de hoofdstad althans- wel, dat verdere revisio­nistische ambities van het land alleen in nauwe samen­werking met het Derde Rijk kunnen worden verwezen­lijkt. [Brah­am, Labor Servi­ce, 13/14].
Toch is Teleki nog terughoudend. Hij wil vooral de betrekke­lijk rustige binnenlandse situatie in het land handhaven, en weigert om zonder meer aan Duitse wensen te voldoen. Hij kan zijn binnenlandse positie dus versterken maar wenst ook nog steeds geïnformeerd te worden over de mening van de Britten. Ook wil hij hen tonen dat Hongarije nog altijd een souvereine natie is die géén Duitse satelliet is, en zelfs de Britse premier Churchill is welwillend ten opzichte van Hongarije en hij is niet tegen territoriale wijzigingen mits dat gebeurt met vrije instemming van de betrokken partijen. Ongeveer in deze lijn wijst de Britse gezant in Budapest, sir Owen O’Malley, erop dat vooral de graad en manier van weerstaan van de Duitse druk en de neutraliteit in deze oorlog van belang zijn. [Sakmyster, 252/253].
Dat is echter niet ècht in strijd met de houding van de behoedzame intellektueel Teleki. Wanneer Hongarije in november 1940 eenmaal lid is geworden van het Driemogendhedenpakt  weigert men toch bij­voorbeeld om een geheim protokol te tekenen, waarin staat dat het lidmaatschap van het Pakt mede inhoudt, dat pers en propa­ganda zich volledig moeten richten naar de As! [Kertész, 52].

top

Al enkele dagen na de ondertekening van het Driemogendheden­pakt doen de Duit­sers in het geheim voorstellen aan Csáky, die dit bevesti­gen. Aan de Honga­ren wordt voorgesteld om nauw samen te werken op het gebied van pers en propaganda, en de beide legaties, in Buda­pest en Berlijn, moeten hierover nauw con­tact onderhouden.
Dat zou evenwel betekenen dat de Hongaarse pers geheel onder Duitse voog­dij zou komen en dat bijvoorbeeld de zogenaamd linkse, on­afhankelijke en liberale bladen moeten verdwijnen, maar dat wei­gert Teleki. Honga­rije mag géén vazal van het Duitse rijk worden! [Ullein-Re­vitzky, 71/72].
Teleki wil aan de andere kant in november 1940 trouwens wel constitutionele her­vormingen in Honga­rije door­voeren, en in het diepste geheim deelt hij zijn plannen hier­voor aan Horthy mee. Hij is er nu blijkbaar toch van overtuigd dat de parle­men­taire staat geen toe­komst meer heeft, dat het liberalisme met haar idee van indi­vidueel kiesrecht haar tijd heeft gehad: "Het niveau van de natie is ver gezon­ken, het parlement is gedegenereerd, en het publiek­ vermaakt zich met het spelletje: "let op, tot de rege­ring valt". Nu moet, volgens Teleki, "in over­eenstem­ming met de vereisten van de moderne tijd" het parlement ook in Hongarije worden vervan­gen.
Er moet een corpora­tief lichaam komen met vertegenwoordigers van de maatschap­pelijke groepen, zoals standen, beroepen, corpora­ties, enz. en zelfs zegt Teleki, dat "we nog heel wat kunnen leren van erva­ringen in het buiten­land". [Confidential Papers, 161]. De plannen wijzen duidelijk in de richting van een corporatieve staat, maar het blijft bij plannen. [Nagy-Talavera, 167]. Naast het politieke ele­ment moeten ook het econo­mische en het weten­schappelijke ele­ment zijn vertegen­woordigd. De tijd van het individu is voor­bij, en het is nu de tijd van de Gemeen­schap, het Idee, het Gevoel, de Daad, de Natie, enz. [Confiden­tial Papers, 154/157].
Men legt deze ideeën van Teleki meestal uit als zijnde tegen ex­treemrechts ge­richt, en inder­daad: de luid­ruchtige opposi­tie van de Hon­gaarse fascis­ten zou ook worden verboden, maar alle geluiden van demokraten en liberalen in een gekozen parlement zouden even­eens ver­stommen!…… Deze voorstellen van de conservatieve aristokraat Teleki worden evenwel nooit in het parle­ment in stemming gebracht. De zgn. ‘linkse’ oppositie, hoewel zeer klein, is ook fel: Endre Bajcsy-Zsil­inszky, de vrijmoedige leider van de Kleine Grondbezit­ters, zegt b.v. dat hij nooit zal aanvaar­den dat het represen­tatieve systeem [van een gekozen parlement] wordt veran­derd. Dan worden honderdduizenden uitgeslo­ten van de constitu­tione­le rechten en massa's van prole­tariërs worden uitgesloten van verte­genwoor­diging. Hij zal alleen een verbetering van het parlemen­taire systeem, en nooit een ver­zwakking ervan accepte­ren! [Confidential Papers, 165/166].
Maar ondanks het feit dat graaf Teleki bij het grote publiek populair is, zijn er in Hongarije, zoals bekend, al langere tijd krachten aan het extreemrechtse front aan het werk. Zij constateren openlijk, dat dit land voor het verwezenlij­ken van haar doelstellingen op buitenlands politiek gebied, d.w.z. voor het revisionisme, zich ook verder volledig op Duitsland moet oriënteren.
Twintig jaar heeft men zich met alle kracht vrijwel uitslui­tend geworpen op revisie van de vrede van Trianon, welnu: het blijkt dat Hongarije alleen dankzij Duitsland haar grenzen kan verruimen, en gebieden terug heeft kunnen krijgen. Dus kan Hongarije alleen zijn gebaat bij een nog nauwere sa­menwerking met het immers alom zegevierende grote Duitse Rijk. Alleen aan Duitsland is Hongarije dank verschuldigd, zeggen zij. Hongarije zal dus op politiek, economi­sche en mili­tair gebied nog veel nauwer met de As moeten samenwerken in een soort "Inte­ressengemein­schaft". De Eind­overwinning in deze oorlog zal, zo denkt men hier, toch aan de Duitsers zijn. Hongarije moet zich dus daarop voorberei­den. Het land moet nu, volgens de Hongaarse gezant in Ber­lijn, generaal Dőme Sztójay, in september 1940, aan de Duit­sers daden laten zien; het moet rotsvast aan Duitse kant gaan staan, en b.v. radika­le stappen ondernemen in ver­band met de politiek tegenover de Joden "zelfs als er offers worden ge­vraagd", en de levens­middelen- en grondstoffenexport naar Duitsland vergro­ten. [Nebelin, 150].
Ook binnen de regeringspartij zijn er velen met een grote sympathie voor extreemrechts, zoals de vroegere premier Béla Imrédy, Jenő Rátz, Andor Jaross, Ferenc Rajniss, István Milo­tay, István Antal, Antal Kundér en anderen. Zij zijn al maan­den, vooral na de enorme Duitse zege in West-Europa in juni 1940, ontevre­den over de nog altijd voor­zichti­ge en terughoudende politie­ke lijn van de premier, en zij willen een veel duidelijker Duits­gezin­de politiek. Ook roepen ze om het ont­slag van de gematigde 'Beth­len-gezin­de' minis­ters, en om een sterkere antisemiti­sche poli­tiek [Nagy-Tala­vera, 161]. Deze rechtervleugel van de regeringspartij kan ook steeds meer druk op de regering uitoefenen, omdat ze weet wat ze wil.

Bezoek van Ribbentrop aan Budapest

top

Één van de leiders, de vroegere premier Imrédy, dringt b.v. steeds weer aan op meer sociale wetten, uitbrei­ding van de antisemitische wetge­ving en economische hervormin­gen ten bate van een oorlogs­econo­mie, en hij vindt in het algemeen dat Hongarije zich aan de Nieuwe Orde, die van de As n.l., in Europa dient aan te pas­sen. Dát is ook precies wat men in Berlijn van Hongarije verlangt. Hierdoor voelt de extreem-rechtse oppositie van Pijlkrui­sers en Hongaarse nazi's, die immers al "volledig solidair" is met de As, zich gesterkt. Zij voelt zichzelf n.b. "vooruitst­revend", rekent met een Duitse zege, en stelt zich daar al vast op in. Bovendien worden de Pijlkruisers, de belang­rijkste partij van extreemrechts, door Duitsland op grote schaal gefinancierd.
Duidelijk is ook dat de afstand tussen de ultrarechtse vleugel van de MÉP, de regeringspartij, en de evenzeer extreem-rechtse oppositie helemaal niet zo groot is want aan beide kanten claimt men de ideële steun van Duitsland, en men wil dat de Hongaar­se regering krachtige en duidelijke maatregelen neemt, die passen in de fascistische geest. Hongarije moet zich aanpassen, vindt men hier!
Toch is en blijft deze rechtse oppositie in Hongarije, hoe luidruchtig en aktief ze ook is, en hoezeer ze ook de enorme macht van het grote en "onoverwinnelijke" Duitse rijk achter zich voelt, hopeloos verdeeld.
Steeds weer begaan extreemrecht­se personen en groepen ver­gis­singen en daden, en doen uitla­tingen die van het tradi­tione­le nationale binnenlandse poli­tieke patroon afwij­ken en die deze oppositie toch weer in een isolement plaat­sen. De meeste leiders hebben dan ook weinig of geen ervaring met b.v. het parlemen­taire leven, met compromis­sen, etc. Ze hebben alleen hun eigen rotsvaste overtuiging en uitgesproken eigen ide­eën.
In een land als Hongarije, waar men zich traditio­neel zeer sterk op de eigen Natie richt, maakt het b.v. bij de politieke elite ook een bijzon­der slechte, onpatri­otti­sche indruk dat men zich met zoveel woorden en daden richt op een buitenlandse ideolo­gie, dat men Hongarije als het ware volle­dig wil aanpas­sen aan die andere landen, n.l. Duitsland en Italië, en daar­mee eigen­lijk z'n eigen land tot een kopie van een ander land wil maken.
De extreemrechtse [oppositie-] partijen weigeren immers met de eigen, typi­sche natio­nale om­standigheden reke­ning te hou­den, en ze rich­ten zich op het buiten­land en voor een groot deel van het Hongaarse poli­tieke en maat­schappe­lijke establishment geldt dát alleen al als verwerpe­lijk.
Oproepen tot een sociale revolutie, tot drastische landher­vor­mingen ten bate van de door de oorlogsomstan- digheden toch al opkomende klassen van arbeiders en landarbeiders, zullen bij de leidende klassen slechts minachting wekken, en extreemrechts verder in een hoek zetten.
Als die radikale elementen van extreemrechts echter het constitutionele stel­sel, inclusief het regentschap van Horthy en het pre­mierschap van Teleki, zouden aanvaarden, en binnen deze constitutionele orde zou willen werken, zou dát weer de geloofwaar­dig­heid, als "opposi­tie" met een ècht alter­na­tief à la Hitler en Mussolini, doen verdwij­nen! Dan zou men boven­dien het 'ver­trou­wen' van Hitler [dat toch al niet zo groot is] verliezen, maar dat is natuurlijk het dilemma waarvoor elke extremistische partij in een parlemen­tair sys­teem staat.
Ook in Hongarije levert dit alles bij de vele verschillende radikale groepen van rechts spanningen op: De "Hongaarse Nationaal-Socialisten" willen b.v. nog wel de parlementaire weg bewandelen, maar de Pijl­kruisers maken n.b. regelmatig plannen om een staatsgreep te ple­gen! Voortdurend is er sprake van gewapende en geheime groepen die bezig zijn met een samenzwering en die de macht willen overne­men. [Confidential Papers, 149] maar nèt als in andere landen van Europa zijn de kansen voor extreemrechts in Hongarije om zónder buitenlandse hulp [dat is: een ordinaire militaire interventie van Duitse kant!] aan de macht te komen erg klein, om niet te zeggen: ni­hil.
Op ideologisch terrein is er steeds sprake van grote verwar­ring en heftige persoonlijke ruzies. Allerlei dubieuze en gefrustreerde figuren hebben zich immers vanuit het politieke en maatschappelijke niets bij kleine radika­le partijtjes opge­wor­pen als "Nationaal Leider", en voelen zich geroepen om het Vader­land uit de crisis te halen en te bevrij­den van alle onheil. Ze gunnen elkaar het licht in de ogen niet en maken door onder­linge ruzies en intriges, per­soonlijk gericht­e scheldpar­tijen, uitsluiting en wederzijdse beschuldigingen een komische en dwaze indruk bij het publiek; de acht verschillende partij­tjes van extreemrechts proberen ook in het voorjaar van 1940 wel weer eens met elkaar te praten, maar het lukt natuurlijk ook dan niet.
Velen in Honga­rije constateren dat deze lieden -"Leiders" nog wel- nota bene oproepen tot solidari­teit met een ander land [Duits­land, Italië] of in het algemeen met de As, maar zelf zijn ze aller­minst solidair met elkaar.
Bovendien hebben politieke ideeën die regelrecht uit het buitenland komen -zie boven- nooit op veel sympa­thie bij de Hongaren, nòch bij de stugge boerenbe­volking nòch bij de adel en de aristo­cratie of de burgerij, kunnen rekenen. Nee, al deze partijen staan voorlopig toch ècht nog buiten de politieke macht en ze hebben véél meer erva­ring met com­plot­ten, intriges, samen­zwe­ringen, met de gevangenis en met arresta­ties……Ook met onderlinge ruzies en zware be­schuldi­gingen -het woord 'verraad' is niet van de lucht- aan elkaar hebben ze het druk. Over het einddoel en de midde­len, over de leiding en de leuzen is men het lang niet met elkaar eens.

top

Toch heeft men in extreem-rechtse kringen in Hongarije, en -wat nog veel belangrijker is- ook in de rechtervleugel van de regeringspartij, en ook bij de legerleiding, in het algemeen wel de overtuiging dat er maatregelen moeten worden genomen ­tegen de Joden, tegen de liberalen en de rest van die zoge­naamde linkse oppositie, tegen de vrijmetselaars, enz., en dat Honga­rije zich aan de 'nieuwe tijd' moet aanpassen: het land moet zich dus oriënteren op Nazi-Duitsland en op Italië.
Het belang van datzelfde Duitse Rijk vereist echter óók een ordelijk bestuur, en geen ruziënde ideologen en fanatieke groepjes onruststokers, en de Duitse oorlogsmachine eist bovendien een stijgende produktie. [Rothschild, 182]. Wat dit laatste betreft voldoet Hongarije nog wel aan de Duitse eisen. Er is geen sprake meer van een econo­mische crisis en de sociaal-economi­sche situatie is door de oorlogs­omstandighe­den sterk verbe­terd. Zo verdwijnt de akute dreiging van nazi's en Pijl­kruisers toch naar de marge, en is Hongarije in 1939/40 een eiland van rust en welvaart in Mid­den-Euro­pa. [Laczkó, 82]. Het blijkt echter steeds opnieuw, dat die fanatici van ex­treemrechts het toch niet kunnen laten. In juli/augus­tus 1940 is er weer eens sprake van een com­plot van de "Pijl­krui­sers". Gang­sters als de parle­mentsle­den Emil Ko­varcz [een majoor van het Hongaarse leger!] en Wirth organi­se­ren dan een gewa­pende groep, die Horthy moet ontvoe­ren, en Szálasi zal bevrij­den: het staatshoofd zal dan worden gedwon­gen om Szálasi tot pre­mier te benoemen en de macht aan hem over te dragen.
Wan­neer Horthy weigert moet hij maar worden gedood. Maar ondanks de tijdige ontdekking kunnen toch geen afdoende maat­regelen worden geno­men: voorstellen tot het opheffen van de parlemen­taire on­schend­baarheid van de beide complotteurs wekken de woede van de Pijlkruisers, en de daders ontkomen naar Duitsland. Wel worden 15 van de 23 aange­klaagden veroor­deeld tot gevan­genisstraffen wegens hoogver­raad. [Nagy-Talave­ra, 163, Horthy, 225] en het hele geval toont dan wèl de goede wil, maar óók al de on­macht aan van een Hongaarse reger­ing die niet bij machte is haar wil op te leggen. De rechtse, extremistische majoor Kovarcz is beslist ook geen uit­zondering want het is in Hongarije algemeen bekend dat b.v. de generale staf, en in het algemeen de legerleiding, vooral bestaat uit mensen van zgn. Zwabische, Duitse afkomst met vaak zeer rechtse, extremistische sympathieën. Het blijkt trouwens, dat de complotteurs iets te vroeg zijn. In september 1940 wordt Szálasi immers vrijgelaten.
Nu begint bij de extreemrechtse groepen in Hongarije vrijwel onmiddellijk overleg om, onder leiding van de zojuist vrijge­laten 'martelaar' Szálasi toch tot één alomvattende partij te komen en daarin slaagt men ook!
Einde sep­tember, be­gin oktober 1940 lukt het Szálasi n.b. om de Pijl­kruiserspartij te reorganiseren, en hierin alle andere ex­treemrechtse partijen te doen opgaan, o.a. een pas in juli opgerichte "Hongaarse Nationaal-Socialis­tische partij" van Jenő Ruszkay-Ranczenber­ger, een luite­nant b.d. die in 1919 ook bij de 'contrarevo­lutie' en de Witte Terreur was betrok­ken. Deze partij is zelf ook weer een fusie van drie kleine partij­tjes, met 15 zetels. De nieuwe, vergrote Pijlkruiserspartij [NKP], telt nu 46 zetels in het parlement en ze telt als massabeweging weldra 300.000 leden. Zo lijken oppervlakkig gezien de eenheid, de broederschap, de vrede en de orde binnen extreemrechts her­steld, precies zoals de Duitsers dat zo graag zien... en dissidenten van weleer doen nu hun best om boete te doen bij de 'leider' Szálasi, die hen persoonlijk vergeeft, en alle intriges, ruzies, persoonlijke rivaliteiten zijn nu -zo lijkt het- ten einde.
De 'Nyilasok' [de Pijlkruisers] vormen nu toch een massabewe­ging, waarvan zelfs notoire anarchisten, en wat men noemt het "Lumpenproletariat" deel uitmaken. [Laczkó, 90]. Ook het Dekreet no. 3400 wordt door Horthy opgeheven, zodat ambte­naren ook [weer] van een partij als die der Pijlkruisers lid kunnen worden. [Allianz, 73]. Onderhand zijn de meeste leiders der partij overigens allang als Duits geheim agent in Hongarije werk­zaam. [Laczkó, 90].
De nieuwe partij is, hoe kan het ook anders, duidelijk tota­litair, fascistisch, en streeft naar een nog veel nauwere samen­werking met de As. Het programma is de zogenaamde Nieuwe Orde in Europa, waarin ook Hongarije een plaats moet krijgen. Over een sociale revolutie en over landhervormingen en andere binnen­landse hervormingen is men echter vaag. Over wat er precies gaat gebeuren wanneer de partij ooit de macht zal overnemen leest men niets. Wel spreekt ze over "een eenheid van nationalis­me en socialisme", en ze wil de grote invloed van de Joden in het economische en sociale leven uitschakelen, maar hóe dat precies moet gebeuren zónder het hele economische leven van Hongarije te ontwrichten, staat ner­gens. ……… Szálasi is nu weer op het toppunt van zijn 'macht', Hij wordt weer gerespekteerd. Vriendjes van hem komen op hoge posten, hij is zelfbewust, verwaand en absoluut zeker van zichzelf.

top

Hij beschouwt zich al als de 'duce' van Hongarije. Ande­ren zeggen dat hij nu wel helemaal geobsedeerd is door de macht. Hij is, zo zeggen ze, een machtswellusteling, en is bevan­gen door groot­heids­waan. My­then, verwarde kreten en mistige retho­riek doen het echter ook in Hongarije bij een deel van de bevolking zeker niet slecht.
Wat een toekomstig "Karpaten-Donau-Groot-Vaderland" onder supre­matie van de Magyaren voorstelt is voor de meeste Honga­ren nog te be­grijpen: het betekent eenvoudig het herstel van Groot-Honga­rije van vóór 1918.
De "nationale" en dus exclusieve ideologie van Szálasi's zogenaamde "Hunga­rizmus" is al een veel moei­lijker zaak; welke rol bijvoorbeeld de buurlanden  Slowakije en Roemenië, zéér trouwe bondgeno­ten van het Duitse Rijk, hierbij spelen heeft ook Szálasi nooit uitge­legd en Duitsland zit met dit eigengereide Hongaar­se nationa­lisme ook duidelijk in z'n maag.­ [Lacz­kó, 90]. Natuurlijk worden, zoals dat altijd wordt gezegd, al die onduide­lijk­heden na de oorlog, dat betekent: na de eindover­win­ning, wel gere­geld, maar: moei­lijke kwesties worden dus gewoon vooruit geschoven!De fascisten beroemen zich er immers op de Partij van de Daad te zijn, welnu: dan moet je niet steeds die basis willen ondermijnen door je kritische vragen hierbij....
Voor vele "honderdduizenden" Hongaren is Szálasi nu wel dè Man van de Toekomst, de Nationale Leider ["a nemzetvezető"] maar voor de Duitsers is Szálasi helemaal niet zo'n belangrijke, betrouwba­re, serieuze of interessante man want hij lijkt aan een ontstel­lende vorm van grootheidswaanzin te lijden.
Bovendien: Hongarije is ook -nog steeds- voor het Duitse Rijk veel minder belang­rijk dan b.v. Roemenië of Joegosla­vië. Tezelfder tijd dient zich, in oktober 1940, overigens tóch weer een serieuze rivaal van Szálasi, een andere 'Leider' in spé, aan, namelijk dr. Béla Imrédy [1891-1946], die al op 4 oktober 1940, één maand  na de fusie van Szálasi, samen met Andor Jaross, gen. Jenő Rátz, dr. Ferenc Rajn­iss, István Milotay, István Antal, Antal Kundér en een dozijn andere parlementsleden van de regeringspartij, nu toch uit deze partij treden.
Imrédy vindt namelijk dat hij nu de keuze moet maken, en dat Teleki de rechtse politiek heeft verlaten. [Laczkó, 92]. Hij weet intussen ook, dat Teleki nog steeds het vertrouwen heeft van Horthy, en dus premier blijft. Teleki verklaart nu, dat hij hun eisen wel kan be­grij­pen, maar dat hij ze in een lang­zamer tempo wil uitvoe­ren.
Het zal duidelijk zijn dat Imrédy c.s. door deze houding van z'n eigen premier niet overtuigd is. Veel meer is hij over­tuigd van de noodzaak om in oorlogstijd aan de eisen van de overwinnende partij -het Duitse Rijk- tegemoet te komen! De ongeduldige leden van de regerings­partij treden dus toch uit, en ze richten de "Hongaarse Vernieu­wings­partij" [Magyar Megúju­lás Pártja, de MMP] op, op 18 oktober 1940. [Nagy-Tala­vera, 166].
Veel echte en principiële verschil­len met de Pijlkrui­sers zijn er natuurlijk niet te vinden maar de beide leiders konden en kunnen elkaar niet uitstaan; ze hebben slechts minachting voor elkaar. Szálasi is immers ooit door Imrédy toen deze premier was [1938/39], gevangen gezet en hij ver­geeft hem dat nooit.
Voor de van zichzelf zeer overtuigde Szá­lasi is de cynische Imrédy bovendien een verrader, de leider van een stelletje intellectue­len zonder contact met de massa. De ontmoeting van de beide riva­len in november 1940 levert dan ook niets op en premier Teleki mag nog van geluk spreken: het valt nog mee dat van de 120 à 160 parle­ments­leden van de rege­ringspar­tij met zéér rechtse, autori­tai­re en fascistische sympa­thieën er slechts een handvol uit­treedt. [i­dem].
Ook volgens de partij van Imrédy moet Hongarije een Interes­sengemeinschaft met het Duitse Rijk vormen, en zich inzetten voor de ideeën van het fascisme en van de nazi's. Het land moet volgens Imrédy van 'de Joden en van hun geest' worden bevrijd: speci­aal op economisch gebied moeten er maatregelen tegen de Joden worden getroffen. De staat moet meer macht krijgen op econo­misch terrein, o.a. door agrarische en sociale hervormin­gen, nationalisaties en dergelijke. Hongarije moet met andere woorden volgens Imrédy tot een corporatieve staat worden omgevormd. Toch blijft Imrédy, de intellectueel, de oud-premier en vroegere bankdirekteur, veel meer elitair dan Szálasi, de man van de massa's, en hij wenst ook nog niet direkt een totalitaire staat in te voeren. Maar dat zijn slechts de nuances, de details.

top

Duidelijk is wel dat de persoonlijke tegenstellingen en het wantrouwen tussen de beide 'leiders' zeer groot zijn. De excentrieke fanati­cus, de bevlogen maniak Szálasi, en de ijdele, gefrus­treerde en ambi­tieuze intellectu­eel dr. Imrédy liggen elkaar niet. Imrédy weet ook nooit mas­sa's mensen op de been te brengen terwijl het erop lijkt dat dat laatste Szálasi juist wèl lukt. De Pijl­kruisers willen een massapartij worden, en hun macht ook laten zien. De stakingen van september/oktober 1940 waren een voorbeeld.
Het parlementaire leven gaat in Hongarije intussen gewoon door en niet alleen de extreemrechtse, maar ook de zogenaamde link­se, demokra­tische en antifascistische oppositie kan onder premier Teleki nog steeds vrij haar gang gaan, en blijft ak­tief. Juist in déze kring stelt men kritische vragen, omdat men in de Duitse overwinning pertinent niet gelooft, en die overwinning ook niet wenst, zelfs verafschuwt. Hongarije, zo meent men in kringen van de "linkse oppositie" zal immers nooit haar eigen gang kunnen gaan in de schaduw van een totalitair en agressief Duits Rijk, dat van plan is om Europa in zijn greep te krijgen. De politiek van Teleki, om namelijk de zelfstandigheid en onafhankelijkheid van Hongarije te handhaven, wordt bedreigd!
Uit het voorgaande blijkt al, dat de buitengewoon gematigde "linkse oppositie" het zeker niet in alle opzichten met deze [toch zeer conservatieve en nationalistische] premier eens kan zijn. Men ziet bijvoorbeeld veel duidelijker dan Teleki zelf de gevaren van diens politiek tegenover Duitsland en de linkse oppositie waar­schuwde bijvoorbeeld al dat de beslis­sing van de As in Wenen [30 augustus 1940] om aan de Hongaren Zevenburgen als groot­s cadeau te geven, Honga­rije wel zou ver­plichten tot zware of­fers! [Boldizsár, 48]. Het is trouwens ook te vrezen dat elke kleine dienst die Hitler voortaan van Hongarije zal vra­gen alleen maar als een daad van vijandschap tegen Engeland en de met haar verbonden landen zal worden beschouwd. [Ullein-Re­vitzky, 66] en dát gaat nu juist regelrecht tegen de lijn van Teleki in! Men kan zich [eigenlijk steeds] afvragen welke concessies nu weer aan Berlijn moeten worden gedaan. Hoe lang kan Teleki het nog uithouden? Hoe lang moet Teleki -en met hem: Hongarije- nog de kleine vernederingen slikken, om de grote catastrofe maar te ontlopen? Welke concessies kan men nog doen en zich­zelf niet verliezen?
Ondanks al die kritiek van de "linkse oppositie" geldt nu, in oorlogstijd, echter: Teleki moet dan tóch worden gesteund. Een goed alternatief is er niet!
Samen met hem wil men er in ieder geval voor zorgen dat Hongarije buiten het oorlogsgeweld blijft, haar onafhankelijk­heid houdt, en dat het de constitutionele en parlementaire instellingen kan handhaven en deze oppositie laat geregeld, in woord en geschrift, weten dat ze aan bovenstaande principes wenst vast te houden. Ze wil het de regering niet al te moeilijk maken, en ze steunt Teleki voor een deel in zijn binnenlandse poli­tiek, en in zijn toch nog voorzichtige buitenlandse politiek. Duitsland moet niet al te veel worden uitgedaagd, en Honga­rije moet ook niet de sympathie van de westelijke geallieerden verliezen.
In wezen wordt door Teleki geen enkele beperking aan deze milde oppositie van links opgelegd. Het is voor Teleki natuur­lijk ook wel duidelijk, dat déze, zogenaamd linkse, oppositie, zijn positie absoluut niet ondermijnt, dat déze partijen niet door het buitenland worden gesteund, dat men híer geen com­plotten smeedt, dat men hier níet elkaar constant uitscheldt, en dat men eigenlijk veel baat bij hem heeft..... Oppervlakkig gezien is er dus in het rustige Hongarije eigen­lijk zeer weinig aan de hand. De positie van de regering, van het parlement, van het staatshoofd, van de andere instellingen en van de pers worden niet echt bedreigd.
De bladen van de oppositie kunnen ook blijven verschijnen, zoals b.v. de 'Magyar Nemzet' [Hongaarse Natie], een rooms-katho­lieke krant, die uitgesproken anti-nazi is, en een bur­gerlij­ke, parlemen­taire en constitutionele staat wil houden. Verder blijft in Hongarije ook het sociaal-demokratische blad 'Nép­szava' [Stem des Volks] verschijnen, de enige sociaal-demokratische krant op het vaste­land van Europa [buiten Zwe­den, Zwitserland en Fin­land om], terwijl nota bene alle jour­nalis­ten van deze krant tot de linker­vleugel van de partij behoren, evenals als de secre­taris-generaal van de partij, Árpád Szakasits.
Ook bladen als de liberale 'Esti Kurir' [Avondkoerier], het legitimistische blad '8 Órai-Ujság' [Acht-uur-blad] van graaf Bethlen, de 'Pesti Napló', en een aantal linkse weekbladen als 'Reggel' [Morgen] en 'Jelenkor' [Tegenwoordig], 'Magyar Szem­le' [Hongaarse Revue] en 'Szabadság' [Vrijheid] kunnen onge­stoord blijven publiceren en tijdschriften zoals de 'Nou­velle Revue de Hongrie' en 'Hungari­an Quarterly' blijven eveneens bestaan al is het maar om de kontakten met het westen niet te verbreken. Één der grootste kranten is wel de 'Kis Újság' [Kleine Cou­rant], het blad van de Kleine Grondbezitters, en ook een nieuw blad van de landarbeiders, 'Szabad Szó' [Vrij Woord] ver­schijnt sinds korte tijd.

top

Dit laatste blad is een uitgave van de pas in juni 1939 opgerich­te "Nati­o­nale Boerenpartij" [Nemzeti Paraszt Párt, NPP], die is voortgekomen uit het zogenaamde "Maart­front" [Márciusi Front] van 1937, een links-radikale oppositie­groep van popu­listi­sche schrijvers en intel­lectuelen, zoals Imre Kovács, Gyula Illyés en Péter Veres.
Zij leggen zich toe op de ontwik­keling van het Hongaar­se platte­land, waar zeer grote armoede heerst, en ze willen de feodale, slaaf­se onderworpen­heid van de boerenbe­volking doen verdwijnen door radikale, progressieve landher­vormingen, en door ontwikke­ling van een zelfstandige boe­ren­stand.
Sinds de jaren '30 is daarvoor bij een aantal schrij­vers be­langstel­ling ontstaan: sociologisch onder­zoek, een realisti­sche beschrij­ving en een analyse van de achterlijke situatie op het Hongaarse platte­land, vooral op de Grote Hongaarse Laagvlakte, hebben voor deze 'popu­listische' schrijvers en 'villa­ge-explo­rers' de basis geleverd.
Men heeft hier namelijk de stellige overtuiging dat de koers van de diverse regeringen in de jaren '20 en '30 stelselmatig alle aandacht voor een betere sociale politiek ten bate van de arme massa van boeren, landarbeiders en fabrieksarbeiders heeft verdrongen.
Alle aandacht moest van het regime immers worden geschonken aan de funeste gevolgen van de vrede van Trianon, aan de buren die het op Hongarije hadden gemunt, en daardoor was iedereen, die pleitte voor radikale hervormingen in het land zelf, bij voorbaat verdacht. De nieuwe "Nationale Boerenpartij" is veel radikaler dan de Partij van Kleine Grondbezitters [FKgP] en er hoort ook een aantal uiterst linkse personen [latere commu­nisten of zoge­naamde fellow travellers], zoals József Darvas en Ferenc Erdei bij. [Kerté­sz, 222, e.a.].
De meer gematigde politici van de FKgP, zoals Endre Bajcsy-Zsil­inszky, mgr. Béla Varga, en de historicus Gyula Szekfü, die vanaf 1938 laat merken dat hij niets moet hebben van de nazi's en van het fascisme, laten regelmatig van zich horen in talloze publi­caties. Van iets minder belang zijn ook de her­vormde predikant ds. Zoltán Tildy [1889-1961] en Tibor Eck­hardt, beiden leiders der Kleine Grondbezitters. Eckhardt, die sinds 1930 de leiding van de partij in handen heeft, vertrekt overigens in maart 1941 naar Amerika en  sommigen ver­moeden dan zelfs dat hij een soort speciale missie in opdracht van Horthy en Teleki moet vervullen, b.v. een exiel-regering moet voorbe­reiden, maar hij ontkent dat later [1945] zelf. Ook Horthy ontkent dat, en er is niets wat op dergelijke plannen wijst. Zelf beweert Tibor Eckhardt dat hij is vertrok­ken, omdat hij het lot van Hongarije al zag aanko­men. [Fenyo, 111].
Hoewel men de invloed van deze 'linkse' oppositie niet moet overschatten, is ze toch van grote waarde: Ook de regering erkent dat en houdt er rekening mee. Van deze oppositie heeft ze trouwens niets te duchten! Zij houdt zich aan de wet, en dát kan men van de extreemrechtse oppositie allerminst bewe­ren.
Zelfs van de illegale "Partij van Communisten van Hongarije" [Kommunisták Magyarországi Pártja, KMP] heeft de regering-Teleki niets te vrezen. Er is immers sprake van een relatief ontspan­nen sfeer in de betrekkingen met de Sovjet-Unie en tot de zomer van 1941 voert de communistische partij, die enkele honderden leden telt, geen enkele illegale aktie in Hongarije. Zelfs van het in Moskou opgerichte "Buitenlandse Comité" der KMP gaan ook geen ondermijnende, revolutionaire aktivitei­ten meer uit.
De Hongaarse regering hoeft ook geen maatrege­len te nemen tegen het in janua­ri 1941 opgerichte Centrale Comité en het Secreta­riaat der KMP, die nu onder leiding van Zoltán Schőn­herz [*1905], Ferenc Rózsa [*1906] en de journalist Gyula Kállai [*1910] die ook in de redaktie zit van de Népszava, staan. In decem­ber 1940 verklaren deze communistische leiders zich voor een "onafhanke­lijk, vrij en demo­kra­tisch Honga­rije", en ze willen "een ge­meen­schap­pelijk front van alle anti-As- krachten" vormen, maar dát is wel een zeer opmerkelijke, en voor velen in Hongarije ook ongeloofwaardi­ge zaak. Tot op dit moment zijn het prole­tarisch internatio­nalisme en de diktatuur van het proletari­aat, de arbeiders­klasse, immers altijd primair, en nú worden ineens patriottische leuzen aangeheven, en men doet een beroep op de historische en nationale tradities. [Kovrig, 134/135].

Ook is het opmer­kelijk dat, terwijl er tussen Duitsland en Rusland vriend­schappelijke betrekkingen bestaan, de Hon­gaarse communisten tóch oproepen om een front tegen de As te vormen! Het blijft evenwel volkomen rustig in Hongarije en de linkse partijen voeren geen enkele legale of illegale aktie tegen de regering.

top