< Terug

16. Het regime van János Kádár, 1956 tot 1989

16.3    Crisismanagement in de laatste fase van het systeem van Kádár, 1980 tot 1988.

16.3.1 ’Rustig en ongestoord verder op weg’; het Hongarije van Kádár in 1980.

Al snel na de Sovjet-inval in Afghanistan op 27 december 1979 blijkt dat men in Hongarije kritisch hiertegenover staat want op de Hongaarse TV [!] vraagt men openlijk zich af wie de Sovjets nu weer heeft gevraagd om hier [de intussen zo beruchte] "broederlijke hulp" [zoals in 1956 en 1968!] te verlenen! "Waarom hebben we eerder nooit iets hierover gehoord?" en "Is het waar dat ook Hongaarse soldaten hierheen moeten?", vraagt men zich af en János Berecz [secr. CC ideologie] geeft toe dat zulke vragen een gevoel van zorg onder de bevolking weerspiegelen en de communistische partij van Afghanistan is zelfs niet eens vertegenwoordigd op het Hongaarse partijcongres, hoewel Kádár wel solidair is met het optreden van de Sovjet-Unie! Als gevolg van de Sovjetinval "op verzoek van de [communistische] regering" in Afghanistan worden de contacten van Hongarije en de rest van het "Oostblok" met de westerse landen tot een minimum beperkt en in 1980 bezoekt min.v.buitenl.z. Puja bijvoorbeeld alleen een aantal Aziatische landen: in februari Japan, de Filippijnen, Thailand en India, en verder in maart de USSR.
Om de economische situatie verder te verbeteren en mensen ook te wijzen op hun plichten wordt per 1 januari  ook een nieuwe arbeidscode van kracht. Men wil hiermee veel meer de efficiency op het werk bevorderen: bedrijven  mogen voortaan b.v. werknemers overplaatsen; direkties zijn vrij om te bepalen welke werkuren het beste uitkomen en men kan beter optreden tegen degenen die door slordigheid schade veroorzaakten. Korting op het loon is dan toegestaan. De wet maakt het dus mogelijk dat ondernemingen veel makkelijker ‘de doeltreffendheid van het werk verhogen’ door werknemers, “als er wordt geluierd”, over te plaatsen naar een andere afdeling, of naar andere bedrijven, als er niet meer genoeg is te doen, en bepalen welke werkuren het beste uitkomen. Ondernemingen worden hiermee dus zelfstandiger in het bepalen van hun eigen beleid en dat moet wel in hun voordeel werken.. 
Het regime is echter wel zeer tevreden over de veel betere betrekkingen met de r.-katholieke kerk want in maart 1980 wordt de nu 70-jarige kardinaal Lékai onderscheiden vanwege ‘zijn inspannin­gen om het vertrouwen tussen kerk en staat te doen toenemen, waardoor de nationale eenheid is bevorderd’. De problemen zijn n.l. sinds zijn benoeming in 1976 aanmerkelijk verminderd en van spanningen is geen sprake meer!
Positief maar ook kritisch blijft ook bisschop Cserháti van Pécs, de secr. der bisschoppenconferentie, die vindt dat voor de opbouw van de samenleving de bijdrage van miljoenen gelovigen onontbeerlijk is en dat de autoriteiten hiermee rekening moeten houden en deze bereidheid steeds meer gaan erkennen. Hij denkt ook dat "de gelovigen geen conservatief en geïnstitutionaliseerd episkopaat wensen". "De rooms-katholieke kerk zal dan ook alleen gezag en aantrekkingskracht hebben als ze ook open staat voor de pijn en de angst van de wereld, en niet alleen de vrede van de ziel ziet", en de kerk moet zich ook interesseren voor sociale kwesties, aldus de progressieve Cserháti.
Van groot belang is ook het partijcongres en, aan de vooravond daarvan, op 22 maart 1980, de terugkeer uit Moskou van min.v.buitenl.z. Frigyes Puja, die, naar men meent uiteraard met instrukties van de hoogste top in het Kremlin in Budapest arriveert! Vanaf ma. 24 tot do. 27 maart 1980 vindt n.l. het 12e congres der "Hongaarse Socialistische Arbei­derspartij" [de heersende MSZMP] plaats. De partij heeft dan 812.000 leden en er zijn sinds het vorige congres zijn 30.000 leden tot disciplinaire straffen veroordeeld, b.v. economische delikten of dronkenschap.
Er zijn 764 gedelegeerden aanwezig en de "socialistische nationale eenheid" staat voorop, maar de partij wil toch ook een soort avantgarde, een model, blijven en "Tovább a lenini úton" [Verder op de weg van Lenin] is de leuze. De buitenlandse politiek van trouw aan de Sovjet-Unie zal blijven, evenals de gemengde economie, "waaraan we de relatief welvarende positie te danken hebben", aldus Kádár maar openlijk wordt nu gezegd dat de ideologische trouw wèl ondergeschikt kan zijn aan economische eisen!…..
Hongarije gaat krachtig door met hervormingen, het NEM wordt voortgezet; meer decentralisatie van het economische beheer, de tamelijk liberale koers blijft. Het systeem van subsidies voor levensmiddelen zal moeten verdwijnen, de prijzen zullen aan de wereldmarkt worden gekoppeld; de wetten van de markteconomie zullen op den duur ook hier gelden..... Hongarije is, zo erkent men, zeer afhankelijk [voor 50 %!] van de internationale [ook wester­se] markt, is dus zeer kwetsbaar, en de economische groei is flink teruggelopen. De koers zal echter niet veranderen. Men moet rekening houden met een lager groeitempo van het bnp, de levensstandaard en de consumptieve uitgaven van het publiek. Schuld aan het achterblijven zijn “de internatio­nale veranderingen, de slechtere handels­voor­waarden en de discriminerende maatregelen van sommige kapitalisti­sche landen”, aldu­s Kádár. "Een flexibel economisch beleid en een zuinig en rationeel gebruik van beschik­bare mankracht en middelen zal nog meer dan in 't verleden noodza­kelijk zijn" [de Volkskrant, 25 maart ‘80]. Stabilisatie heeft de komende jaren echter voorrang boven groei, aldus Kádár en premier Lázár.
In feite heeft het land -met al z’n welvaart- boven z'n stand geleefd, en moet men nu besluiten om onrendabe­le bedrijven te sluiten, de gigantische subsidies af te bouwen, de buikriem aan te halen, de concurrentie te versterken, de export op te voeren en de import juist te beperken. Onvermijdelijk is een verdere kloof met de andere Oost-Europese landen die niet voldoen aan westerse kwaliteit, en slechts niet-convertibele valuta leveren. De oude -ongeschreven- regel van de Hongaarse handel: 1/3 Sovjet-Unie, 1/3 rest O.-Europa, 1/3 kapitalistische wereld is al gewijzigd in: 50 % handel met 't westen, en 50 % met 't oosten!
Vermoedelijk zijn ook de zeer sterk toegenomen mogelijkheden voor particuliere bedrijven in Hongarije een doorn in het oog voor Moskou [Praag, Oost-Berlijn en Boekarest] want dit land manoeuvreert steeds meer bewust naar het midden: zoveel mogelijk open tussen Oost en West, een gemengde economie, van de staat èn particulieren, en een soort nationale consensus! "Maar een dergelijke werkelijkheid zal op het partijcon­gres natuurlijk niet tot uitdrukking kunnen komen" [F. Schaling, NRC/Hbl. 24 maart 1980]. Kádár heeft echter wel aan het Hongaarse volk een zekere mate van zelfrespekt en welvaart gegeven en hij kan zich blijven verheugen in een grote populariteit. Terwijl voor vroegere partijcongressen altijd geruchten circuleerden dat Kádár zou aftreden, is dat dit keer allerminst het geval". Niemand heeft in dit land behoefte aan verandering en continuïteit is dus het parool.
De sovjetafgevaardigde Andrej Kirilenko, lid van het Politburo der CPSU, ‘een man met een uitzonderlijk starre, bijna bevroren gelaatsuitdrukking’ [F. Schaling in NRC-Hbl, 26 mrt], richt echter wel een bedekte waarschuwing aan de Hongaren: ze moeten met hun streven naar uitbreiding van de handel met het westen hun broeders in de socialistische landen van de Comecon níet verwaarlozen en hij blijft bij het grote belang van deze samenwerking van Oost-Europa, want “hiervoor heeft men een duidelijke lijn, die van de socialistische integratie, gegrondvest op de Comecon”! Hij waarschuwt de Hongaren dan ook voor het ‘overschatten van de wereldmarkt’… De Sovjet-Unie zal ook Hongarije van olie en gas blijven voorzien [“daaraan wordt veel belang gehecht”, aldus Kirilenko] en die wordt nog altijd beneden de wereldmarktprijs geleverd! Maar ‘ook de Hongaarse partijfunktionarissen denken er het hunne van: dat sovjetbezoek nog het meeste plezier oplevert als het voorbij is’ [Frankf. Allgem. Ztg, 26 mrt. 80].

top

Kirilenko ziet de oplossing van de problemen dus in “de opbouw van het communisme en de steeds nauwere samenwerking onderling", en hij levert ook zware kritiek op "agressieve en militaristische kringen" in Amerika! Dat de Sovjet-Unie haar prijzen voor energie sterk heeft aangepast en dat dit een land als Hongarije van 1973 tot 1980 per jaar ongeveer $ 1 miljard kostte, vermeldt hij echter niet. [R. Tökés, Hungarian Reform Imperatives, in: "Problems of Communism", sept./okt. 1984, blz. 1-23].
Ook Kádár is zeer positief over de "broederlijke hulp" van de Sovjet-Unie aan de revolutionai­re krachten van Afghanistan, die vastbesloten de onafhankelijkheid van het land verdedigen tegen contrarevolutionairen en imperialisten" en hij hekelt "de reaktionaire krachten die een algemene antisovjet- en anticommunistische propaganda zijn begonnen". Opvallend is echter dat hij Amerika niet [en China wèl] met name noemt, maar ook dat hij nadrukkelijk zegt dat de sovjettroepen Afghanistan zullen verlaten ‘als de redenen voor het verzoek voor het verlenen van hulp ophouden te bestaan’ en voor een Hongaar is dat wel een makabere opmerking, want de Russische troepen zijn er in Hongarije sindsdien nog steeds, na bijna 25 jaar…. [F. Schaling in NRC-Hbl., 25 mrt. 80].
Toch legt de Hongaarse leider ook nadruk op de ontspanning in Europa, maar pleit dan ook weer voor ”versterking van de eenheid van de socialistische landen en hun politieke, economische, culturele en ideologische samenwerking”’, terwijl iedereen wel weet dat die samenwerking op een aantal punten al jaren volledig mank gaat en weinig kansen op sukses biedt! Maar de toespraken en het hele congres behoren natuurlijk ook tot de show, het ritueel waarvan de herhaling veel belangrijker is dat de werkelijke inhoud…. Bovendien heeft Hongarije als land zonder grondstoffen geen enkel alternatief!
De opmerking dat er ‘vastbeslotener stappen moeten worden ondernomen tegen de nietige minderheid van mensen die het niet eens zijn met het socialistische systeem’ behoort volgens regime-kritici dan ook tot de verplichte figuren  want hun ervaring is dat het regime al larenlang tamelijk coulant optreedt tegen dergelijke mensen! [naar: idem].
Meer belangstelling heeft men voor de economische plannen want de internationale crisis bracht een forse terugslag en Hongarije zal veel moeite moeten doen om concurrerend te worden en dus veel meer efficiënt te werken! De nadruk zal dan ook liggen op meer rendement en beter management. Kádár bezweert ook dat er ‘een organische verhouding moet bestaan tussen de prijzen van de produktie en die van de consument. De zeer zware subsidies op talloze eerste levensbehoeften zal dus wel moeten worden aangepakt, want de staat kan die last niet meer dragen! Dat zal nog zeer moeilijk worden! De inkomens zouden 1976/80 stijgen met 23 à 25 %, in feite stegen ze met slechts 9 % en voor 1981/85 verwacht men nog minder groei! Daarom wordt een bescheiden doel gesteld. Het bnp per hoofd zal 6 % groeien [was 9 %], de consumptie met 8 % [was 14 %] en de inflatie 14 %: dit laatste is ongehoord in de communistische wereld en het is ook nog volkomen nieuw dat dit wordt toegegeven en vermeld! Kritiek wordt geuit op de zwarte handel, het parasitisme, de overmaat aan burokratie en zwart werken, de 2e economie...
Kádár ontvangt op 26 maart ook niet-partijleden en hij heeft o.a. een zeer open en uitvoerig gesprek met Gyula Illyés, die eerder over de onderdrukking van de Hongaren in Roemenië publiceer­de. Ook nu benadrukt de partijleider de harmonie met niet-partijleden en vindt dat allerlei maatschappelijke topfunkties voor hen mogelijk moeten zijn, "ongeacht de vraag of zij lid van de partij zijn of niet, ongeacht hun wereldbeschouwing en beroep is het Hongaarse volk het eens met de basisdoelstellingen van het socialisme, en is bereid om te werken aan de vervulling daarvan, aldus Kádár. De partij wenst geen machtsmisbruik om mensen te overtuigen en Hongarije blijft trouw aan de Sovjet-Unie in de buitenlandse politiek, ook na de Sovjetbezetting van Afghanistan, drie maanden eerder, waardoor de internationale spanningen scherp opliepen en de contacten Oost-West maandenlang minimaal blijven.
"Hongarije blijft speciale betekenis hechten aan de relaties met de socialistische landen en zal alles blijven doen om ervoor te zorgen dat de eenheid van deze landen en hun politieke, economische en culturele samenwerking wordt versterkt", aldus Kádár. Deze wens staat echter naast het feit dat Hongarije sinds enige tijd juist ook nauwe en vriendschappelijke banden aan met West-Europese landen, zoals met name Oostenrijk en West-Duitsland aanknoopt! Ook met andere westerse landen wenst men goede economische en culturele betrekkingen, en voert in feite sinds een aantal jaren een buitenlandse politiek, die op het eigen belang is gebaseerd. Wel lijkt men in Budapest nog altijd terdege te beseffen dat er geen alternatief is: gezien de geopolitieke situatie en het gebrek aan grondstoffen is men op Moskou aangewezen! Al eerder heeft Kádár een westerse bezoeker eens toevertrouwd: "Onze politiek is economie, en onze economie is buitenlandse handel" en het blijkt steeds meer dat dat waar is en dat niemand in Hongarije zijn ogen kan sluiten voor economische 'hervormingen', die steeds opnieuw onderwerp van gesprek zijn!
Ook opvallend is dat de partijsecr. van Budapest Lajos Méhes zo spoedig mogelijk loon naar prestatie, voorrang voor produktieve investeringen en sluiting van onrendabele bedrijven wil, terwijl premier Lázár juist voorzichti­ger is en een langzamer proces wil. Lázár zegt o.a. dat men "de campagne tegen luie arbeiders en zwakke bedrijven moet opvoeren als men de belangrijkste economische problemen te boven wil komen". Bezuini­gingen op subsidies, en loon naar prestatie moeten overal komen. Bedrijven die ondoel­ma­tig werken en niet kunnen concurreren moeten verdwijnen en mensen die een gemakkelijk leventje wensen moeten worden gewaarschuwd, eventueel gestraft. Hij geeft n.b. wel toe dat z'n kabinet te laat op de veranderingen in wereldmarkt­prijzen heeft gereageerd, en de gevolgen ervan voor Hongarije heeft onderschat! In de komende jaren zal men stabilisering primair stellen, bóven de groei.
Hoewel Hongarije nog het meest welvarend is in Oost-Europa, is de economische wereldcrisis toch zeer goed merkbaar. Hongarije kan slechts de kwaliteit van de export verbeteren, en management, organisatie en efficiency sterk vergroten. Men zal de zware last van de gigantische subsidies sterk moeten inkrimpen!
In zijn geïmproviseerde slotrede van 2 ½ uur laat Kádár enige humor en ironie horen, is nu en dan grappig, nuchter, openhartig en optimis­tisch, zorgt herhaaldelijk voor uitbarstingen van gelach en applaus, hoewel een in­komensverbetering slechts beperkt mogelijk zal zijn! Hij memoreert de kwesties van mensenrech­ten en de nationaliteiten. "Tegenover de andere kant [het westen] willen we ons opstellen als correcte en betrouwbare partners", aldus de Hongaarse leider. Hij stelt ook de kwestie van de Hongaren in Roemenië aan de orde en verwijt Boeka­rest en politiek van discriminatie en assimilatie te voeren.

De bouw van de eerste Hongaarse kernreactor in Paks, 1976.


"Hongaren die buiten de grenzen van het land wonen, moeten van al hun rechten kunnen genieten en hun eigen cultuur kunnen ontwikkelen", aldus Kádár onder luid applaus! Hij spreekt ook uitgebreid met Gyula Illyés, die in boeken en artikelen vaak op aangrijpende manier heeft geschreven over het lot van de Hongaren in Roemenië. Kádár legt er nog eens de nadruk op dat de partij in harmonie met de rest van de bevol­king moet leven. De partij vindt het ook natuurlijk en normaal dat allerlei topfunkties in het maatschappelijk leven [behalve in de partij] worden vervuld door niet-partijleden. Nb. overal elders in Oost-Europa is zoiets volkomen ondenkbaar! ”In Hongarije echter is het volk, ongeacht de vraag of men partijlid is of niet, ongeacht ook wereldvisie en beroep, het eens met de fundamentele doeleinden van het socialisme, en het is bereid mee te werken aan de vervulling daarvan". Een probleem is echter dat regeringsbesluiten vaak niet allemaal werden uitgevoerd, maar, aldus de atheïstische partijleider, "ik put soms troost uit het feit dat Mozes duizenden jaren geleden van de berg kwam met de tien geboden en dat zelfs het eerste daarvan nog niet is vervuld"...... [Frits Schaling, NRC/Hbl, 28 mrt. 1980], en tenslotte roept Kádár de hele bevolking op tot vertrouwen en eenheid! De Hongaarse partijleider besteedde ook nog enige aandacht aan de internationale politiek vooral m.b.t. het overleg over ontwapening en bewapeningsevenwicht en zegt dat het vooral belangrijk is om betrouwbaar te zijn in internationale aangelegenheden, en [doelend op de verdeeldheid binnen de NAVO tussen de Europese landen en de Ver. Staten] voegt hij hieraan toe dat hij “geen namen zal noemen want ik wil geen problemen binnen de NAVO veroorzaken”, terwijl de zaal dan in gelag uitbarst…. [Schaling, NRC-Hbl., idem].
‘Dit congres lijkt dus meer een schoolreisje; de afgevaardigden maken immers de indruk in een opgetogen, ja bijna uitgelaten stemming te zijn: tijdens niet al te belangrijke betogen zitten ze uitgebreid met elkaar te fluisteren en in de de pauzes doen ze zich tegoed aan appels, peren en andere versnaperingen.
Verder is er in het straatbeeld van Budapest nauwelijks iets dat herinnert aan het congres: geen grote spandoeken en propagandaborden, vlaggen en speciaal versierde etalages, zoals elders in Oost-Europa…. Nee, de partij dringt zich hier -op een bijna nadrukkelijke wijze- níet op aan dat deel van de bevolking dat geen lid is, 90 % der Hongaren….In het gebouw van het congres is de sfeer ook ontspannen en wanneer een der afgevaardigden zich tijdens zijn rede vergist wordt er hartelijk gelachen en wordt hem vanuit de zaal iets toegeroepen, en Kádár zelf loopt in de pauzes gewoon rond, wars van elke vorm van decorum en gewichtigdoenerij, hij is eerder vertrouwelijk dan afstandelijk en dit Hongaarse partijcongres lijkt in niets op andere in de rest van Oost-Europa’…[naar: Frits Schaling, NRC-Hbl., 26 mrt. ‘80]. Maar zelfs over het Russische avontuur in Afghanistan weet een man van de regering de correspondent der NRC-Hbl. in Budapest een anekdote te vertellen: “Weet je dat er een nieuwe paspoortenregeling in de Sovjet-Unie is gekomen? Ze mogen nu iedere twaalf jaar het land uit: 1944, 1956, 1968 én 1980”.

top

Tenslotte wordt er nog een nieuw CC gekozen en van de 127 leden zijn 32 nieuw. Ook wordt een Politburo gekozen van 13 leden [d.w.z. 2 minder]. Leden van het Politburo zijn: György Aczél [ideol. en cultuur], Valéria Benke, Sándor Gáspár [vakbonden], de technokraat en vice-premier Ferenc Havasi [nw], 1e secr. János Kádár, Mihály Korom [veiligh. dienst, nw], premier György Lázár, president Pál Losonczi, László Maróthi [jeugdorg. KISZ], Lajos Méhes [partijsecr. in Buda­pest, nw], Károly Németh, Miklós Óvári en István Sarlós.
Ontslagen zijn dus de oudgedienden, veelal rond de 60, Jenő Fock, Béla Biszku, Antal Apró, Dezső Nemes en István Huszár, vertegenwoordigers van de harde lijn, die Kádár lange tijd trouw waren, maar "Hongarije zal de politiek die het tot nu toe heeft gevoerd, voortzetten, maar met grotere flexibiliteit", aldus Kádár.
De aangekondigde maatregelen en hervormingen zullen, ondanks de vrees en verwachtingen van sommigen, toch een verdere afwijking van het economische model van de andere staten van het Oostblok inhouden en vooral in a.s. prijsaanpsssingen aan de wereldmarkt en de afschaffing van subsidies zal dat duidelijk worden. Ook zullen bedrijven onderling harder moeten gaan concurreren en doelmatigheid en produktiviteit moeten omhoog. Kortom: Hongarije zal nog veel meer streven naar een marktmechanisme, en daarmee afwijken van alle planeconomie en staatsmacht.
Het is bovendien de vraag of deze economische veranderingen slagen zonder dat deze gepaard gaan met een politieke demokratisering. [Hendrik de Jong, de Volkskrant, 29 maart 1980].
De partij maakt zich echter geen zorgen over het bestaan van een zekere oppositie want, vergeleken bij de massale onrust Polen en bij de groep dissidenten van "Charta '77" in Tsjechoslowakije is het in Hongarije buitengewoon rustig, en men troost zich met de gedachte: "De socialistische orde in ons land wordt aanvaard, aangezien ze voorziet in de behoeften van de bevolking", hoewel enkele maanden later westerse bronnen beweren dat Kádár in z'n rede "het einde van de relatief liberale periode van 25 jaar" heeft aangekon­digd. "Het moet afgelopen zijn met ongewenste concessies en harder optreden is noodzakelijk", aldus zou Kádár hebben gezegd in een rede voor het CC der partij.
De partij treedt in dit land op als ”een organisatie, waarin de vertegenwoordiging van het hele volk gestalte krijgt; de partij is zelf drager van bepaalde belangen, maar ze is geen superieur verschijn­sel". We stellen geen ideologische eisen aan de bevolking en tolereren het feit dat enkele duizenden mensen de oppositie vertegenwoordigen, deze oppositie is niet georganiseerd en streeft andere doeleinden na dan wij. Bij verkiezingen -die meer het karakter hebben van een referendum- stemmen enkele honderdduizenden mensen tegen de officiële kandidaten", aldus verklaart de minister van cultuur, Imre Pozsgay, zelfs rustig. [Trouw, 19 maart 1980].
Ook een andere minister Imre Markója [justitie] heeft ook wel begrip voor kritiek uit de samenleving op het feit dat er nog steeds veel te veel van bovenaf wordt geregeld. Overtrokken plannen, niet doordachte ideeën, vergissingen bij de uitvoering móeten wel tot moeilijkheden leiden... tèveel is geprobeerd om álles in het leven te reglementeren", aldus Markója. Leidinggevende figuren grijpen nog altijd teveel naar reglementering, ook als ze met economische en sociale middelen een oplossing zouden kunnen bereiken... door de snelle verandering van normen moeten wettelijke maatregelen bovendien te vaak worden herzien, hetgeen belemmerend werkt".
De minister ergert zich n.b. aan 'het burokratische doolhof van voorschriften en regels, die door allerlei autoriteiten worden bedacht om hun rechten te onderstrepen, terwijl ze zich minder druk maken over hun plichten. De bevolking ondervindt dit als een last, die vaak tot verspilling van tijd en geld leidt". Ongewenste burokratische overlast moet volgens Markója uit de wereld worden geholpen. Merkwaardig is hierbij uiteraard dat een minister van justitie in een Oost-Europees land zich ergert aan de burokratische regelgeving, die de heersende partij met haar machtsmonopolie en met alle middelen daartoe, tientallen jaren lang zèlf heeft bedacht en in stand wilde houden....
Ook de "Hongaarse Socialisti­sche Arbeiderspartij" ontleent haar macht nu juist aan dít principe, dat nu zelfs door een minister van justitie wordt ontkracht en verworpen! ………
Het valt overigens te betwijfelen of de zich steeds verder liberalise­rende Hongaarse economie met 't streven naar meer doelmatigheid, arbeidsproduktiviteit en concurrentie blijft passen in het kader van de verspillende, burokratische en inefficiënte Oost-Europese planeco­no­mieën! Hongarije ondervindt van de partners in de "Comecon" n.l. weinig medewerking, en is teleurgesteld over het feit dat de Comecon log, burokratisch en ouderwets te werk gaat. "The regime and the people considered CMEA membership something of a liability and an obstacle to economic growth". [Tökés in Problems of Communism, 1984, 20]. Toch is er nog geen alternatief voor de handel met de Oost-Europese partners. Men kan alleen langzaamaan de export naar het Westen vergroten om zodoende meer valuta in handen te krijgen. Men moet ook afwachten of de Hongaarse arbeiders, die voorlopig niet meer op een beter loon hoeven te wachten, genoegen blijven nemen met de economische politiek van loon naar prestatie [prijsstijgingen en ontslagen], en de kardinale kwestie blijft of werkelijke economische hervormingen kans van slagen hebben zonder dat deze gepaard gaan met een politieke demokratisering! [Hendrik de Jong in de Volkskrant, 29.3.1980]. Overigens blijkt dat het Nieuwe Economische Mechanisme na ruim 10 jaar lang niet meer de groei oplevert, die men in de jaren '70 kende! De prijzen stijgen nu sneller dan de inkomens! Weliswaar vindt volgens een opinieonderzoek in 1982 56 % der bevolking een tweede baan goed, maar 57 % durft het niet aan, of wenst geen eigen bedrijf, een privé-onderneming, te starten! [Tökés, Problems of Communism, 1984, 20].
Tot nu toe is er 20 jaar lang min of meer sprake geweest van een "post-totalitair" sociaal contract tussen het regime en de bevolking."The very existence of a social contract -a negotiable instrument- and its generally prudent management by János Kádár and his closest advisers have probably been the main reasons for the implementation and continuation of reforms'. [Tökés, idem]. Ook blijkt uit enkele toespraken op het partijcongres dat er nog altijd sprake is van onwillige funktionarissen, "diehards", die weigeren zich aan te passen, en doorgaan op de oude voet, de hervormin­gen saboteren. Anderen, zoals economen en sociologen, wensen hieraan een einde te maken, en worden gesteund door prominente en openlijk radikale hervormingsgezinde bladen zoals "Heti Világgazdaság", Valóság, Élet és Irodalom en Mozgó Világ. [Tökés, idem].
Opmerkelijk is het aanblijven van Aczél als lid van het Politburo want hij geldt nog altijd als 'het liberale gezicht' van de partij op cultureel gebied. In zijn eigen boek uit 1971, "Eszmeink erejével" [Met de kracht van onze idealen], onderscheidt hij de al eerder genoemde drie soorten literatuur, “de drie T’s]”: gesteunde [támogatott], getolereerde [türt] en verboden [tiltott]. Zie hierboven. Alles wat de partij en haar doelstellingen kan dienen wordt gesteund, wat een hoge verkoopwaarde heeft wordt geduld, en alleen datgene wat een direkte aanval op het socialisme betekent, rassenhaat en/of pornografie bevat wordt verboden.

top

In de praktijk is er in Hongarije daarom al vele jaren sprake van een relatief zeer grote 'grijze zone' waarin vrijwel alles wordt getolereerd. Het vertrouwen in de persoon van de partijleider János Kádár is nog altijd zeer groot, hoewel menigeen zich zorgen begint te maken over "de tijd dat hij er niet meer is". Zijn veel meer pragmatische dan dogmatische aanpak heeft men zeer leren waarderen, vooral wanneer men de situatie in Hongarije vergelijkt met die in de andere landen van Oost-Europa: Hongarije is dan een paradijs met z'n welvaart, koopkracht, genot en plezier. Alleen hier bestaat een redelijke verhouding tussen regering, partij en bevolking. Bovendien bestaat er een goede verhouding tot de Sovjet-Unie. [Trouw, 13 april 1982].
De verhouding met Roemenië daarentegen is zeer slecht en beide landen drijven in het eerste kwartaal van 1980 praktisch geen handel, omdat men het niet eens kan worden over een handelsakkoord! Hongarije wenst veel minder machines en Roemenië wil duurdere grondstoffen verkopen. Onderling verrekende men de handel altijd in zgn. "transfer-rubel", maar nu worden harde valuta, zoals dollar en DM veel belangrijker, hoewel men hier altijd over zwijgt! De handel met Roemenië was altijd al gering maar nu vervalt ze n.b. vrijwel.
Intussen wordt ook de ideologische en politieke druk van de Roemeense autoriteiten op de Hongaarse minderheid en met name op de Hongaarse Hervormde kerk [met ± 700.000 leden] steeds sterker. Terwijl per jaar 70 jongeren theologie willen studeren, sloten tot 1978 30 hun studie af, in 1979 slechts 15 en in 1980 maar 7, en alle verzoeken om verbetering worden door het regime van Ceausescu c.s. afgewezen. Deze minderheids­kerk voelt zich vooral zeer geïsoleerd, als "diaspora in het kwadraat". Men probeert o.a. altijd predikanten te isoleren van de gemeenten, die men vooral conservatief en star wil houden. Het regime van Ceausescu pleegt bovendien al vele jaren een grove geschiedvervalsing door te stellen dat de "autochtone" Roemenen zonder meer regelrecht afstammen van de Daciërs, dappere bondgenoten van de bouwers van een wereldrijk: de Romeinen, die tussen Tisza en Zwarte Zee een belangrijke beschaving hadden opgebouwd en dat de Hongaren die hier [al 1000 jaar] wonen slechts barbaarse, Aziatische indringers zijn, die niet veel meer dan verwoestingen hebben aange­richt. Eigenaardig is dan wel dat de Romeinen hier toevallig geen steden van enige betekenis hebben gesticht, zoals overal elders wèl..... De klachten van Károly Király uit 1977/78 zijn dus nog steeds bijzonder aktueel………
Een bezoek van premier Lázár op 26/ 27 april 1980 aan het bevriende Oostenrijk valt echter goed en er vindt  overleg plaats over de uitbreiding van de economische betrekkingen want Hongarije knoopt zoals bekend steeds meer economische banden met het westen aan: 55 % der handel vindt nog plaats met de landen van de Comecon, 36 % met West-Europa, en 9 % met landen in Latijns-Amerika, Afrika en Azië. Vooral de handel met het westen, o.a. de export van landbouw-produkten en voedingsmiddelen, maar ook van chemische produkten en tractor- en vrachtwagenbanden, assen voor  bedrijfswagens en dieselmotoren naar het westen neemt toe, maar door de sterk gestegen energieprijzen wordt de handel met Oost-Europa bemoeilijkt. Hongarije moet zelfs 2/3 van de import aan grondstoffen en energie besteden, want uit de USSR koopt men 6 à 7 mln ton olie en verder o.a. gas.  O. a. met de invoering van de zomertijd [in april 1980] hoopt men op energie te besparen, n.l. 80 mln kWh. [of 25.000 ton olie] à Hfl. 4 mln.
Men wil in 1980 de export met 8 % vergroten en mede daarom sluit het Nederlandse bedrijf DAF Trucks BV in 1980 haar eerste contract -voor 5 jaar- met een Oost-Europese firma, n.l. Rába in Győr, de grootste producent van o.a. vrachtwagens. Industrieprodukten zijn verder o.a. thermostaten, fornuizen en ovens, huishoudelijke artikelen, cosmetica, kunstmest, bestrij­dingsmidde­len, kunststoffen, verf en lakken, cement, glas, porselein, aardewerk en tegels, allerlei soorten textiel, confectie, schoenen, meubels, lederwaren, handschoenen, grafische artikelen, fotoapparatuur, kabels, wasmachines, koelkasten, gloeilampen, naaimachines, radio's, televisies.
Maar ook de agrarische sektor blijft voor het land zeer belangrijk: ze levert 1/5 deel der produktie, geeft werk aan 23 % der bevolking, en zorgt voor ¼ deel der export, terwijl de Hongaren zelf ¾ der agrarische produktie consumeren! De levensmiddelenproduktie en voedselverwerking neemt dan ook een belangrijke plaats in. In Hongarije is, zoals  bekend, geen sprake van een voedselge­brek en veruit de meeste agrarische coöperaties zijn welvarend: o.a. omdat ze onafhankelijk zijn en het eigendom van de leden zelf. Men kiest een eigen bestuur en direktie, een neemt alle beslissingen: de leden hebben dus persoonlijk veel belang bij het wel en wee van het bedrijf!
Het spreekt vanzelf dat dit systeem al vanaf het begin van de jaren ’60 weerstand en kritiek opriep van dogmatici en van andere Oostbloklanden, maar de praktische en nuchtere doener Kádár heeft zich van dogmatische en theoretische kwesties nooit veel aangetrokken! Het systeem werkte immers en zorgde voor welvaart! Op 16 oktober 1980 neemt het CC der partij zelfs weer nieuwe richtlijnen voor de 'ontwikkelingsprincipes van de industriële leiding', d.w.z. verdere hervormingsmaatregelen, aan.
Toch is die welvaart beperkt gebleven want in april 1980 treedt de in dec. 1979 opgerichte "SZETA", het steunfonds voor de armen [zie blz. 156], voor het eerst naar buiten. 10 tot 15 personen [o.l.v. Ottília Solt] vormen de leiding. Men wil de tienduizen­den armen en bejaarden die onder het bestaansminimum moeten leven, helpen, en men gaat er [gezien de ervaringen!] vanuit dat het overheidsapparaat dat toch onvoldoende doet: "Het absolutistische systeem verwaarloosde de arme mensen", zegt men. Vele intellektue­len betuigen zelfs hun sympathie of werken mee aan de onafhankelijke organisatie. Men wil geen oppositie vormen en werkt ook samen met het Volksfront, maar de officiële instellingen worden hiermee door "SZETA" wèl uitgedaagd! De nieuwe organisatie wil vooral de ‘socialistische’ overheid aan haar eigen beloften en morele maatstaven toetsen en al eerder publiceerde men over taboes, zoals sociale problemen: marxisme en armoede, werkloosheid en loonverschillen, zwarte economie, kerken, enz………Toch is ook hier geen sprake van akties van dissidenten of van ’vijanden van het regime’, zoals een dergelijke opzet in alle andere Oost-Europese landen al gauw zou heten!…….
Maar bij gelegenheid heeft het regime toch wel iets te vieren: op 4 april [35 jaar 'bevrijding'] wordt jaarlijks een enorme militaire parade op de Dózsa György út gehouden en op dezelfde brede boulevard bij het Heldenplein wordt ook de jaarlijkse 1 mei-parade gehouden, die in Hongarije allang tot een ontspannen en uitgelaten feestdag is gewor­den: heel anders dan elders in het "Oostblok". Hier trekt men dan z'n beste en nieuwe kleren aan om met de nieuwste mode te pronken. [Der Spiegel, no. 41, okt. 1981]. Een even feestelijke stemming past overigens ook bij het verblijf van Bertalan Farkas als eerste Hongaarse ruimtevaarder, van 26 mei tot 3 juni 1980, in de ‘Sojuz 36’, het gemeenschappelijke Sovjet-Hongaarse ruimteschip …….
Teleurstelling brengen echter de XXIIe Olympische Zomerspelen in Moskou in juli/augustus 1980, want ze worden door de hele westerse wereld geboycot omdat de Sovjet-Unie enkele maanden geleden Afghanistan brutaal en op militaire wijze binnenviel en hier een communis­tisch satellietenregime installeerde. Wel behalen de Hongaren in Moskou 7 gouden, 10 zilveren en 15 bronzen medailles maar de Hongaarse TV, radio en pers zijn over de westerse boycot openlijk teleurgesteld……..

'Herder', György Kohán [1910-1967].


In maart 1980 wordt het geheel herstelde en herbouwde "Vigadó" [na ruim 35 jaar] geopend en eind oktober 1980 wordt het tot dan grootste en modernste handels- en inkoopcentrum in Budapest "Sugár" geopend. Ook zijn er verschillende grote toeristenhotels, zoals Fórum en Atrium Hyatt tot stand gekomen of worden gebouwd aan de Donaukade in Budapest en in de fabriek van Videoton in Székes­fehérvár worden de eerste Hongaarse kleurentelevi­sietoe­stellen gefabriceerd. In mei wordt zelfs bekend gemaakt dat er nog in 1980 particuliere 500.000 auto’s in Hongarije zullen rijden en dat het aantal van 1981 tot ’85 zal verdubbelen! In december waren er nog 330.000 mensen op een lijst die een auto wilden kopen en begin 1979 zelfs nog 500.000, en die lijst bestaat natuurlijk nog steeds: 330.000 mensen staan erop.
Particuliere bedrijven in de horeca doen het in Hongarije goed, o.a. dankzij het zich snel uitbreidende toerisme en nu zijn 15 werknemers per particulier bedrijf toegestaan. Ook reparateurs en allerlei andere dienstverlenende bedrijfjes breiden zich vaak snel uit. In februari 1982 wordt de grote "Sportcsarnok" [Sporthal] van Budapest geopend. De bouw [in 4 jaar] heeft Ft. 1,8 mrd gekost.
Ook nu weer, na het partijcongres, vinden er, op 8 juni 1980, verkiezingen voor parlement, gemeenteraden en de distriktsraden van Budapest plaats en in verschillende kiesdistrikten treden 2, 3 of zelfs 4 kandidaten op! Voor het eerst moeten zelfs op 14 juni enkele na-verkiezingen plaatsvinden en dat is een novum in Oost-Europa!
Bijna 7,5 miljoen kiezers brengen een geldige stem voor een kandidaat van het HNF uit en er zijn nu van de 352 parlementsleden 100 [= 28,3 %] partijloos en een derde deel der parlemenstleden is nieuw!
Niet nieuw zijn daarentegen de problemen die zich zoals in elk westers land, ook in Hongarije voordoen met de jeugd. Men wil nu immers meer overreden dan straffen uitdelen, maar misdaden, slechte arbeidsmoraal, genotzucht, problemen met ouders, arbeidsschuwen, onverschilligheid, materialisme, individualisme, en het ontlopen van verantwoordelijkheid tellen ook in dit land! Weliswaar telt de [eigenlijk verplichte] Communistische Jeugdbond KISZ wel 820.000 leden, maar ze geldt voor zeer veel jongeren vooral als schools, burokratisch, bedilzuchtig en ze geniet weinig respekt. Men krijgt hierdoor geen politiek bewustzijn! Ook "oudere" KISZ-leden zijn veelal weinig aktief en veel intellektuelen hebben geen of zeer weinig affiniteit met de partij, het regime of de ideologie, want vaak vindt men dat "dat maar verplichtingen schept"………. Op 3 december 1980 wordt, de 1e secr. van de KISZ, László Maróthy gekozen tot partijleider [1e secr.] van Buda­pest en hij wordt als leider van de Jeugdbond [KISZ] opgevolgd door György Fejti.
Met ingang van het nieuwe schooljaar wordt vanaf 1 september 1980 zelfs de bijbel "als vooraanstaand werk uit de Hongaarse en de wereldliteratuur" zelfs als verplichte leerstof op de lagere scholen ingevoerd. Intussen is er nu overigens ook sprake van nieuwe ‘basisbewegingingen’ binnen r.k. parochies van m.n. jongeren, die los van de hogere geestelijkheid, het episkopaat, opereren en anti-militaristisch zijn maar ook onder de r.k. studenten theologie ijvert de 'basisbe­weging' blijkbaar met enig sukses…..

top

Opmerkelijk in Hongarije zijn nog altijd de 8 r.-katholieke kerkelijke gymnasia, die nu 2.400 leerlingen tellen en waarvoor elk jaar collectes miljoenen Forint opleveren: in 1980: bijna Ft. 5 mln en in 1981 bijna Ft. 5,5 mln. Deze kerk telt in 1980 nog 2.790 priesters, maar dat aantal liep sterk terug: in 1950 waren dat er 3.600 en in 1960 nog 3.800. Men verwacht -vanwege de sterke vergrijzing- bovendien nog een verdere daling, want vele priesters zijn ouderen: 50 tot 60 jaar. Er bestaat dan ook al jaren een geringe interesse voor een r.k. theologische studie aan een seminarie en per jaar komen 30 r.-kath. priesters klaar met hun studie. Bijzonder voor Hongarije is de schriftelijke cursus theologie vanaf 1978 o.l.v. prof. dr. Tamás Nyíri! Er zijn in 1980 450 deelnemers.
Van de ± 6 mln. Hongaarse katholieken zou ± 30 % kerkganger zijn, 86 % wordt kerkelijk begraven en 40 % van hen sluit een kerkelijk huwelijk, en van alle in Hongarije geboren kinderen wordt in 1980 2/3 gedoopt [< ½ r.k., 12 % herv., 2,2 % evang., 2,2 % gr.-kath.], van de huwelijken is 37 % kerkelijk [27 % r.k., 5 % herv., 5 % overig] en bijna 80 % wordt kerkelijk begraven [55 % r.k., 17 % herv., 4 % evang., etc.]. [Népszabadság, okt. 2001]. Volgens een wetenschappelijk onderzoek rekent 50 tot 60 % der Hongaren zich nog tot een kerk en ± 1/3 der bevolking gaat regelmatig naar de kerk. Op het platteland rekent zich hier en daar 85 % tot een kerk, en in Budapest is dat 35 %.
Ook worden in 1980 vier katholieke bisschoppen onderschei­den: József Ijjas [Kalocsa], József Cserháti [Pécs], Imre Timkó [gr.-kath., Hajdúdorog] en Kornél Pataky [Győr] want men herdenkt op 2 sept. 1980 het 30-jarig bestaan van een eerste akkoord tussen de [communistische, stalinistische!] Hongaarse overheid en de rooms-katholie­ke kerk, maar intussen "kunnen we met een gerust hart zeggen dat we nu op een heel goede weg zijn", wordt in een officiële verklaring gezegd, terwijl de betrekkingen inderdaad hartelijk zijn en sterk zijn verbeterd..
Kardinaal László Lékai verklaart dat het, “nu er sprake is van een humaan communis­me in Hongarije”, voor de kerk ook gemakkelij­ker wordt, "hoewel er in het begin moeilijkheden waren en fouten zijn gemaakt tijdens de tijd van de persoonsverheerlijking". De r.k. kerk wil tegenover de staat loyaal zijn en in dialoog blijven met anderen en deze bisschoppelijke verklaring is, naar men zegt, de meest welwillen­de tegenover het communisti­sche bewind sinds vele jaren! Men zwijgt ook over 1964, toen een keerpunt werd bereikt; een akkoord over direkte betrekkingen tussen kerk [Vatikaan] en staat, zonder tussenkomst van Moskou, in een land in de invloedssfeer van de sovjets! Wel worden de "Ostpolitik" van het Vatikaan, de grotere openheid, het IIe Vatikaanse Concilie en de pausen Johannes XXIII en Paulus VI gewaardeerd. Hierdoor is een modus vivendi mogelijk geworden.... Men overlegt steeds met elkaar: de kerk is volkomen loyaal tegenover de staat, maar hier en daar komen nu, b.v. bij studenten, basisgemeenschappen op die door de hiërarchie worden gewantrouwd en die b.v. niet voor priester kunen studeren of tot priester kunnen worden gewijd…. .
Eind september 1980 bezoekt voor het eerst een hoge Vatikaanse delegatie o.l.v. de pauselijke staatssecr. kardinaal Agostino Casaroli Budapest en Esztergom, "om de betrekkingen verder te verbeteren". Aanleiding is de 1000-e geboortedag van Szent Gellért [* 24 sept. 980, vanaf ± 1030 bisschop van Csanád], n.l. de Venetiaanse benediktijner monnik uit het klooster van S. Giorgio, Gerardus, die ± 1015 op doorreis naar het Heilige Land naar Hongarije kwam, onder koning István de Hongaren -met sukses- mede tot het christen­dom bekeerde, en op ’s konings verzoek de leermeester werd van prins Imre. Gellért [Gerardus] leefde daarna ook enige tijd als heremiet in het klooster van Bakonybél tot hij ± 1030 werd benoemd tot bisschop van Csanád. Mgr. Casaroli overlegt overigens ook met partijleider Kádár en met president Losonczi………
Niet lang hierna, op 8 oktober 1980, wordt in de crypte van de basiliek van St. Pieter in Rome in aanwezigheid van de paus, de Hongaarse katholieke bisschoppen, de staatssecr. voor kerk. zaken Imre Miklós en Hongaarse pelgrims de "Hongaarse kapel" ter ere van "a Magyarok Nagyasszonya" [O.L.V. der Hongaren] ingewijd. Hier vindt men voortaan verscheidene beelden van personen die in Hongarije worden vereerd, aanbeden, enz. van bekende Hongaarse kunstenaars, o.a. "Szent István" [St. Stefanus] en O.L.V. der Hongaren, Maria, van Imre Varga, een bronzen reliëf van Amerigo Tot met voorstellingen uit de Hongaarse kerkgeschiedenis, en "Szent Gellért" van Pál Kö, zijn er te zien. De Hongaarse staat besteedde er zelfs Ft. 3 à 3,5 mln. aan.
Kardinaal Lékai legt bij deze gelegenheid zelfs nog eens de nadruk op de trouw van de Hongaren aan de opvolgers van St. Petrus. “Het is een uitdrukking van de liefde van alle Hongaren, waar ze ook leven, voor de H. Maagd... en in tijden van grote nood hebben de Hongaren zich altijd voor hulp gewend tot hun patrones, de "Magna Domina Hungarorum" [a Magyarok Nagyasszonya]”, zo wordt gezegd.... Nb. de bisschop van Eisenstadt [het vroegere Hongaarse Burgenland] Stefan László, is ook aanwezig en zelfs hij, Oostenrijks staatsburger, legt de nadruk op de historische trouw van de Hongaren aan God en aan het Vaderland, maar opvallend is ook de goede samenwerking van officiële Hongaarse kerkelijke autoriteiten èn emigranten in de Westerse landen……….
Men legt ook hier veel nadruk op het feit dat er zoveel Hongaren buiten het vaderland wonen, hoewel er vele verenigingen, scholen en instellingen, enz. voor hen bestaan. ± 800 priesters en 34 parochies zorgen voor "Hongaren in den vreemde" [vluchtelingen, enz.], b.v. in Noord-Amerika en in West-Europa, maar ‘óndanks alle politieke verdeeldheid is deze kapel’, zegt men, ‘een symbool van de eenheid van alle Hongaren, hun devotie voor de paus, het vaderland en Maria als "Patrona Hungariae"’. Toch geeft staatssecr. Imre Miklós voor kerk. zaken wel aan dat er nog altijd problemen zijn betr. godsdienstonderwijs, benoemingen, etc.
Van een religieuze opleving in dit land is echter geen sprake; slechts een minderheid is enigszins aktief op een of andere wijze. Het kerkbezoek is gering, en het godsdienstonder­wijs trekt ook slechts een klein deel [20 %] van de jongelui. Er is ook nog altijd sprake van discrimina­tie van [kritische] gelovigen en men heeft als meelevend kerklid minder kans op toelating tot de universiteit of hogeschool. Toch is in Hongarije, anders dan overal elders in Oost-Europa, de bijbel alom verkrijgbaar en is men vrij om b.v. naar de kerk te gaan.
N.b. de nieuwe Poolse paus Johannes Paulus II [1978] lijkt overigens in harmonieuze verhoudingen tussen de kerk en een communistisch bewind meer kwaad dan goed te zien en wil dat kardinaal Lékai meer eisen stelt b.v. t.a.v. beter godsdienstonderwijs! Vanuit Rome laat men dus kritiek merken, maar "daar kent men de werkelijke situatie in Hongarije niet goed", zo wordt gezegd, want "er is geen alternatief voor het meewerken met de staat", aldus zelfs de prominente theologische hoogleraar dr. Tamás Nyíri! Hij beschouwt de [zijn] unieke schriftelijke cursus theologie [1978 *] als een bewijs van sterke vooruitgang in de verbetering der betrekkingen tussen kerk en staat! Er zijn nu 450 deelnemers [3 x zoveel als in 1978] en voor het eerst kan de kerk hierdoor leken tot katecheten opleiden.
Een probleem in de katholieke kerk van Hongarije vormen volgens de primaat wèl de basisgemeenten, voorzover ze kritisch zijn tegenover de kerkelijke hiërarchie en pleiten vóór dienstweigering. De staat bemoeit zich ook niet meer met toelating van jongens en meisjes van de acht r.-katholieke [en de beide andere kerkelijke] gymnasia met 2.400 leerlingen tot de universiteit, aldus prof. Nyíri.
In augustus 1981 wordt in Nyíregyháza een nieuwe grieks-katholieke kapel, het centrale kerkelijke bureau en het seminarie ingewijd door bisschop Imre Timkó. De jaarlijkse grote processie naar het pelgrimsoord Máriapócs en een receptie met vele kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders uit heel Oost-Europa en Hongarije vinden nu ter gelegenheid hiervan plaats. Hajdúdorog, en later Nyíregyháza, is vanaf 1912/13 zetel van het bisdom en Hongaars is geleidelijk in plaats van Oud-Grieks de liturgische taal geworden van de tgw. 300.000 Grieks-katholieke [maar met Rome verbonden] Hongaren. De kerk telt in 1980 ± 150 parochies en 146 [ook gehuwde!] priesters.
Opmerkelijk is dat de Hongaarse Grieks- of Byzantijns-katholieke kerk de enige is die in Oost-Europa nog bestaat, terwijl ze b.v. in de Sovjet-Unie en in Roemenië is uitgeroeid! Ze wil als voorbeeld en als brug tussen het Oosten en het Westen dienen, hoewel men sinds het IIe Vatikaanse Concilie meer de nadruk legt op de eigen, zelfstandige, authentieke rol van de Grieks Katholieke kerk. Van Rome krijgt men nu meer ruimte hiervoor, hoewel deze kerk door veel rooms-katholieken lange tijd werd beschouwd als typisch [vreemd en min of meer overbodig] aanhangsel.
Ook door de orthodoxe kerken wordt de grieks-katholieke kerk trouwens vooral als negatief verschijnsel beschouwd, vanwege de banden met Rome. N.b. Pas vanaf 1968 breidde Rome het kerkelijk gezag van het bisdom Hajdúdorog uit over het hele land terwijl tevoren grieks-katholieken in de diaspora [in Budapest en in west- en zuid-Hongarije] automatisch als rooms-katholiek zijn 'ingelijfd'…… De Grieks-Katholieke kerk van Hongarije heeft met het aanwerven van jonge [namelijk gehuwde!!] geestelijken n.b. geen enkel probleem, in tegenstel­ling tot de rooms-katholieke kerk.

top

Ten behoeve van de grote protestantse kerken verschijnt in aug. 1980 op de persen van de staatsdrukke­rij in Budapest voor het eerst na tientallen jaren een uitgave [facsimile] van de klassieke bijbelvertaling van Gáspár Károli uit 1590. De 20.000 exemplaren zijn bij voorbaat al uitverkocht. In 30 jaar zijn er 320.000 bijbels in deze, en 80.000 in de nieuwe vertaling uitgegeven. Er bestaat dan ook geen tekort aan bijbels in het land. Wel bestaat er bij de [kerkelijke] autoriteiten [zoals de calvinistische bisschop Bartha] scherpe kritiek op de illegale smokkel van bijbels vanuit het Westen, door mensen die b.v. denken dat in Hongarije ongeveer dezelfde toestanden heersen als in Rusland of in Roemenië…...
In juli neemt de Lutherse Wereldbond een uitnodiging van de Hongaarse Evangelische kerk [die al meer dan 400 jaar bestaat] aan om de komende vergadering in 1984 in Hongarije te houden, want "Hongarije is verzekerd van godsdienst-vrijheid en de politieke en maatschappelijke sfeer in het land is goed, aldus de lutherse bisschop Zoltán Káldy. In dit land zal ook een Franse film over Martin Luther worden opgenomen, n.l. in de oude benediktijnerabdij van Pannonhalma, op de bucht van Visegrád en in Lébénymiklós met z’n middeleeuwse kerk. Ook zullen vanuit Nederland 30.000 kinderbijbels worden verstuurd t.b.v. de gereformeerde kerken in Hongarije en Roemenië. In januari 1981 bezoekt dr. Billy Graham voor de 2e maal Hongarije, neemt een eredoctoraat in Debrecen in ontvangst en pleegt overleg met o.a. kerkelijke funktionarissen o.a. kardinaal Lékai.
In het algemeen kan men dus zeggen dat de regerende partij van Hongarije zichzelf niet meer beschouwt als een alles beheersende macht, die via diktaten haar wil kan opleggen. Zelfs kort voor het XIIe congres [maart 1980] verklaarde de ervaren [niet bepaald hervormingsgezinde!] politicus István Sarlós: "De partij neemt geen concrete beslissingen, maar speelt vooral een adviserende rol, ze analy­seert, en geeft aanbevelingen aan de regering voor praktische maatregelen zoals hervorming van de produktie, wijziging van de struktuur van het produktieproces, het liquideren van economische eenheden, die niet efficiënt werken". [naar Trouw, 20 maart 1980].
Men erkent ook algemeen dat het "Vaderlandse Volksfront" [HNF], dat de bevolking in staat stelt om mee te denken met partij en parlement, een relatief belangrijke rol speelt! Iedereen kan overal aan meedoen, en er wordt hier gesproken over alle maatschappelijke, economische en politieke kwesties. Van de 41 leden van het "Nationale Presidium" van het HNF is een groot deel geen partijliden op het platteland fungeert het HNF zelfs als autonome beweging, en het komt voor dat het Front niet instemt met voorstellen van de partij", aldus Sarlós, die in 1981 secr.- gen. van het Hazafias Népfront [HNF] wordt.
Tegenwoordig geldt vooral de absoluut noodzakelijke aanpassing van Hongarije aan de wereldmarkt, die via meer concurrentie en meer produktiviteit, efficiency en beter management, nog jarenlang zal duren, en duizenden mensen zeker hun baan en zekerheid zal ontnemen..... Men wil de werkgelegenheid echter wèl handhaven, en de levensstandaard stabiliseren! [Trouw, 20 maart 1980]. De overheid probeert ook steeds terughoudend, voorzichtig te handelen m.b.t. 'dissiden­ten', intellektu­e­len worden tot kalmte gemaand, en men wil zo weinig mogelijk publici­teit. Er vallen wel enkele ontslagen. Men schat dat er in Hongarije sprake is van een 200 à 300 intellektuelen, studenten, enz. die de 'burgerlijke, demokratische oppositie' vormen. Er is nog echter geen sprake van een regelmatig en georganiseerd verschijnende "szamiz­dat" [ondergrondse pers], alleen van enkele onregelmatige publika­ties.
In Hongarije zijn bovendien geen politieke gevangenen, en wie het geld ervoor heeft, kan betrekkelijk vrij naar het westen reizen. Alle westerse radiostations met Hongaarstalige programma's van b.v. de BBC en "Radio Free Europe" zijn ongestoord te beluisteren. Anders dan in de andere Oost-Europese landen is er in dit land geen sprake van een cultus rondom de partijleider, Kádár. Deze leeft, naar men weet, zelfs in eenvoud en houdt absoluut niet van veel propaganda, leuzen, portretten! Dissidenten worden ook niet vervolgd, en er is geen sprake van een duidelijke repressie. 
Van groot belang is uiteraard óók voor Hongaren de eerste arbeidsonrust die zich in de zomer van 1980 in Polen voordoet. Er vinden immers massale stakingen plaats en in zeer korte tijd komt er een onafhankelijke vakbond en massabeweging "Solidarność" o.l.v. Lech Wałęsa met miljoenen leden en met massale steun, o.a. van de katholieke kerk, tot stand. Toch reageert Hongarije ook nu weer rustig en zeer voorzichtig, want ook in Hongarije nemen de vakbonden een relatief belangrijke plaats in en stellen zich niet altijd meer gedwee op t.o. de partij. Anders dan in Polen is men echter in Hongarije al vele jaren veel opener, stelt de bevolking veel beter op de hoogte en men is hier meer welvarend: in Hongarije is er geen sprake van een crisis!

Het mausoleum van de communisten [de arbeiders-beweging]; Centrale Begraafplaats van Budapest, Fiumei út, Kerepesi temetö, v.a.1958.


Vanuit Budapest klinkt dan ook -totaal anders dan vanuit b.v. Moskou, Oost-Berlijn en Praag- geen kritiek op de Poolse leiders, en men denkt dat ”het Poolse volk o.l.v. de partij wel een uitweg zal weten te vinden". Toch wil de vakbondsleider Sándor Gáspár -bepaald geen progressief of hervormingsgezind man!- in oktober 1980 ook voor Hongaarse arbeiders meer vrijheid van meningsuiting en meer publiciteit over arbeidskwesties, maar de oprichting van een 'vrije, onafhankelijke vakbond' verwerpt hij. Ook laat Gáspár weten dat "stakingen niet het middel zijn om het socialisme op te bouwen". Onder een zekere druk begint men dan ook in Hongarije eerder met invoering van de 5-daagse en 40-urige werkweek want men werkt [nou ja, op papier dan, zeggen vele kenners en  ingewijden] in Hongarije dan nog 44 uur per week en om de andere week een zaterdag.
Aldus maakt men in februari 1981 bekend dat per 1 juli a.s. of in 1982 de 40-urige werkweek in een aantal bedrijven zal worden ingevoerd en per 1 januari 1982 wordt de 5-daagse werkweek ingevoerd en per april 1981 wordt die wet van kracht voor het economische leven en het onderwijs.
Op 12 november 1980 vindt er zelfs overleg plaats tussen Hongarije en de ČSSR in Bratislava over o.a. de situatie in Polen, maar Hongarije reageert zeer voorzichtig en terughoudend op de gebeurtenissen hier en dat is in flagrante tegenstelling tot de reakties vanuit Moskou, Praag en Oost-Berlijn waar scheldpartijen en bedreigingen zijn te horen.
Toch heeft de onrust in Polen wel degelijk invloed op de houding van de Hongaarse leiderse en ook de politieke oppositie wordt hier krachtiger. Op 9 december 1980 verklaart Kádár o.a. dat de oppositie in Hongarije vrij is om b.v. petities te tekenen, te publiceren [szamizdat] en brieven met klachten naar het westen te sturen, maar ‘ze moet zich niet willen verbinden met de arbeidersklasse’, want akkor minden pardon megszűnik [“dan houdt dus alles op”] en: “niemand kan handelen tegen de Hongaarse Volksrepubliek en dan ongestraft blijven. Als alle andere middelen dan hebben gefaald sluiten we hooligans op, intellektuele troublemakers stoppen we in psychiatrische instellingen en prominente intellektuelen met contacten in het westen krijgen een pas voor een enkele reis naar een door hen gewenste bestemming’. [Tökés, Hung.’s negotiated revolution, 175]…Het blijft echter bij dreigingen……
Tenminste van enige belang en evenzeer kenmerkend voor de situatie in Hongarije is de heftige maar openlijke [!] diskussie die in het pedagogische en politieke tijdschrift "Kritika" in 1980 plaatsvindt tussen de jonge publicist István Elek en de [veel oudere] plaatsvervangende hoofdred. van het partijblad "Népszabadság", Péter Rényi, over "maatschappijkritiek in Hongarije". Politiek pluralisme en demokra­tisch socialisme staan hierbij ter diskussie. Elek vindt dat door de economische en politiek-maatschap­pelijke ontwikkeling een verdere ontwikkeling van socialistische demokratie zal [moet] plaatsvinden. De ontwikkeling van 30 jaar "socialisme" in Hongarije leidde tot massale desillusie en tot het opgeven en 't verlies van 't geloof en 't doel erin.... We bouwden toch een maatschappij van denkende mensen op, welnu: zulke mensen moeten hun lot in eigen hand kunnen nemen! Elek wil dus veel meer individuele verantwoordelijkheid, diskussie, argumenten, analyses, enz. De geschiedenis van de verhouding tot de Sovjet-Unie, en ook de lotsveranderingen in Hongarije 1945/48, 1956 en 1968 en de leidende rol van de partij [hierin!?] moeten openlijk aan de orde komen!

top

Niet het denken veroorzaakt complicaties, niet de gedachten stichten onrust, maar die onbeantwoorde maatschappelijke en historische dilemma's, en de maatschappelijke onaangenaamheden waarheen ze verwijzen, doen dat, aldus Elek! Met het [weer] opsommen van de pro's en contra's komen we niet verder! We moeten ons afvragen of we onszelf herkennen als "vrolijkste barak van het socialistische kamp", of wel wel zo liberaal en demokratisch zijn!! "De historisch ontwikkelde waarden en rechtsinstellingen van de demokratie mogen we níet beschouwen als uitvinding van de bourgeoisie, maar ze moeten ook in de loop van de opbouw van het socialisme tot gelding komen", aldus de jonge Elek, die Hongarije dus níet een demokratie vindt!
De partij, aldus Elek, zegt wel dat ze zelf ook de rol van oppositie speelt, maar in feite heeft ze het machtsmonopolie! Hij pleit ook voor de erkenning van [tegengestelde] groepsbelangen, maar men lijkt in de partij voor de politieke konsekwenties hiervan nog terug te schrikken. Economische en culturele alternatieven worden toegestaan, geduld, maar [binnen het socialisme] politieke níet, en dat vindt Elek vreemd; een diskussie over een definitie van het begrip "socialisme" wordt zelfs uitgesloten! Dat levert dus slechts schijnzekerheden op! Elek wenst absolute vrijheid van meningsui­ting als recht, als voorwaarde.
Rényi -die zelf heeft meegewerkt aan de "opbouw van het socialisme"- vindt dit alles 'subjektief', karakteristiek voor de houding van een deel van de studerende jeugd: ze is ontevreden, wil meer wagen, schuwt de confrontatie en het conflict niet, en wil meer openheid..... Rényi wil, trouw aan de traditie en vanuit het verleden, echter dergelijke 'onverantwoordelijke', provocerende en overdreven publikaties toch geen burgerrecht verschaffen! Hij wil met z'n kritiek niet te vèr gaan, en acht een diskussie over b.v. de Sovjet-politiek, over een meerpartijen-systeem en over het socialisme al verwerpelijk! Hij vindt "de politieke inspanningen van de afgelopen 25 jaar, waarop de partij samen met ons volk, en als deel van ons volk, terecht trots is, positief". Rényi wenst ook geen diskussie over de basis, "waardoor alles -waarvan heden en toekomst van dit land afhangen- in gevaar wordt gebracht". [Osteuropa Archiv, no. 3, 1981, blz. 326-332]. Men kan zeggen dat een dergelijk min of meer open debat in Oost-Europa zeer bijzonder is: nergens anders is zoiets mogelijk! 
Heel bijzonder is ook de verschijning op 28 november 1980 van het "Bibó-emlékkönyv", Herdenkingsboek van Bibó, voor de op 10 mei 1979 overleden politicus Bibó. Op de ± 1.200 bladzijden van het boek leveren 76 vaak bekende schrijvers, wetenschappers en kunstenaars, historici, filosofen en sociologen, zowel uit het 'dissidente' en oppositionele [György Bence, János Kis] als uit het officiële circuit, en van verschillende levensbe­schouwing, voor het eerst samen [!] bijdragen ter herdenking van deze radikale, overtuigde demokraat en -in 1956- minister van de zo verguisde Imre Nagy. De uitgave staat onder redaktie van de bekende Ferenc Donáth, die o.a. destijds samen met Imre Nagy is veroordeeld………
Bibó wordt in dit gedenkboek openlijk geëerd als een vastbesloten tegenstander van elk compromis met de machthebbers, dat op een leugen is gebaseerd. Hij streefde met een Memorandum in 1944 naar de vereniging van arbeiders en middenstand tègen de nazi's, sprak zich 1945/48 als eerlijk en progressief politicus van de Nationale Boerenpartij uit voor een Derde Weg: de neutraliteit voor een demokratisch Hongarije, en was in 1956 minister van staat onder Imre Nagy. Ook toen richtte hij zich in een Manifest aan de natie en kwam in 1957 met een "Ontwerp voor een compromisoplossing van de Hongaarse kwestie", op grond waarvan hij werd gearresteerd. Van 1958 tot 1963 zat Bibó gevangen en werd toen vrijgelaten. Een compromis was volgens de burgerlijke [calvinistische] prof. István Bibó alleen mogelijk op basis van eerlijkheid maar hij zag bij de communisten in zijn tijd hiervan slechts zelden iets! Was de intellektueel en Bibó [daarom] een hopeloze, irreële utopist? Nee, zijn ideëen blijven aktueel!
Pas nu, ± 1980, lijkt de tijd voor zoiets weer langzaam aan rijp te worden, aldus de in Budapest levende bekende filosoof Mihály Vajda, van de "Budapester School" van György Lukács, en die zich bezig houdt met pogingen tot maatschappelijke hervormingen in Hongarije [en de rest van Oost-Europa]..... Men kan zich  nu, volgens de t.a.v. het regime kritische [1973 ontslagen!] Vajda, weer laten leiden door het mechanisme van het verstand, en heeft het mechanisme van de angst achter zich kunnen laten..... Zelfs vanwege de ernstige crisis in Polen hoeft het bewind van Kádár in Hongarije niet in het gedrang te komen en de vrijheden te beperken. De positieve punten van het Kádárisme blijven. Het "Gedenkboek" voor dr. István Bibó wordt hiermee een belangrijk document van de burgerlijke, radikale oppositie, en de uitgave betekent een keerpunt.
Het lijkt er zelfs eerst op dat de overheid de publikatie goedkeurt, maar na een onderzoek door partijmensen, zoals de socioloog prof, Tibor Huszár, wil men het boek wel uitgeven, maar dan zónder vijf essays van notoire dissidenten, maar dat wordt door Donáth en tien anderen verworpen en na een intern debat in het Politburo vraagt men op 10 december 1980 aan de CC-afdeling voor wetenschappen, opvoeding en cultuur om een rapport over het manuskript voor te bereiden voor de afd. Agitatie en Propaganda van het CC. Intussen lekken delen van het rapport naar dissidenten en naar westerse media en die laten iets zien van de opvattingen van de critici en de opponenten.
De uitgifte wordt eerst door de uitgeversmaatschappij "Gondolat" afgewezen en daarom in de Hongaarse "szamizdat" gepubliceerd. Het CC der partij is n.l. verdeeld want van de 76 auteurs worden 17 als oppositionelen gekwalifi­ceerd en men stelt zelfs voor hen te ontslaan…...
Het is natuurlijk duidelijk dat de opvattingen van Bibó nauwelijks of niet met die van het regime zijn te verenigen en het blijkt al snel dat de gehele oppositie de gelegenheid heeft aangegrepen om -met Bibó als symbool- een nieuw soort front tegen het bestaande regime te vormen. De ‘controleurs’ hebben zelfs zeer nauwkeurig de schrijvers, critici en loyale personen, in acht categorieën verdeeld en ze bevelen de overheid aan om twee eerdere boeken van Bibó toch maar te laten publiceren ‘als een manier om meer offensief tègen het nieuwe boekwerk te ageren’.

top

De regering zelf zorgt dus, om een tegenwicht te bieden, voor de publikatie van twee andere boeken van Bibó  “as a way of taking a more offensive stance toward an illegal Bibó book that will be published in the West” maar de artikelen in het formidabele gedenkboek worden en blijven voor de niet gewelddadige, moedige en pragmatische demokratische oppositie the operative guidelines, de gids voor de rest van de jaren ’80. [Tökés, Hungary’s negotiated revolution, 186]. De schrijvers bereiken met de publikatie van het Gedenkboek voor de prominente, standvastige en geweldloze intellektueel dr. István Bibó dus toch dat er meer aandacht komt voor burgermoed, pragmatisme en een manier om met moeilijke politieke realiteiten om te gaan.
Een ander kenmerkend én afwijkend cultureel verschijnsel voor Hongarije zijn de buitengewoon realistische films, en die trekken nog altijd buitengewoon veel aandacht, ook in de westerse wereld. Ze munten immers uit door o.a. negatieve menselijke en sociale verschijnselen, door weemoed en neerslachtigheid en juist níet door optimisme en krachtdadigheid, door partij-jargon en liefde voor de Sovjet-Unie! Men is zich er als het ware van nature van bewust dat alles de herfst van het vergaan in zich heeft besloten. Een wrange toon, nostalgie, verwording van het menselijke leven, ondergangsge­voelens, vervallen milieus, beklemdheid, moedeloosheid, oude, groezelige, kleine en bouwvallige woningen, historische drama's, zelfmoorden, alkoholisme, woningnood, stalinistische misdaden, trauma's zoals 'de gebeurtenissen van 1956', de rol van macht en geweld, onrecht en onderdrukking, en de nog altijd ondergeschikte positie van de vrouw vormen de meest belangrijke thema’s en het lijkt alsof de 20e eeuw tot in de jaren '60 aan de Hongaren vooral zwaarmoedigheid en beklemming, onvrede en beknelling, kapotte mensen en verhoudingen, onoplosbare problemen en fatalisme, dromen en illusies hebben opgeleverd. Dit heeft niet in de laatste plaats direkt te maken met de politieke geschiedenis van de Hongaarse natie, en met het feit dat men hierover vrijwel nooit een normaal, open, vrij en evenwichtig debat heeft kunnen voeren.
De Hongaarse films vallen ook op door visuele aantrekkingskracht, fraaie, schitterende artistieke vormgeving en goed acteerwerk, verrassend manipuleren van landschappen en wolken, enz. Veel sociaal-kritische films willen maatschappelijke taboes en individuele rolpatronen doorbreken. Steeds opener wordt men hierin, er zijn nauwelijks meer taboes, een nationale zelfanalyse, een radikaal gewetensonderzoek, is aan de gang, steeds evenwichtiger wordt het beeld. Men [Kósa] probeert nu zelfs "oorzaken en situaties bij elkaar te brengen, die uiteindelijk tot de gebeurtenissen van oktober en november 1956 hebben geleid". Vooral hierover wordt men steeds opener: degenen die vluchtten of emigreerden deden niets onoorbaars. Met name de na-oorlogse tijd van het stalinisme wordt zeer negatief benaderd, en men krijgt meer dan eens het gevoel dat de "het socialisme" wel bijzonder weinig positiefs heeft opgele­verd. Agressie, verbittering, wanhoop, defaitisme, een deprimerende sfeer van benauwenis en dreiging.... Toch worden er ook wanprestaties geleverd!
De belangrijkste regisseurs zijn: Miklós Jancsó [1979: Hongaarse Rhapsodie en Allegro barbaro, 1981: A Zsarnok Szíve avagy Boccaccio Magyarországon  [Het hart van de tiran of Boccaccio in Hongarije], en eerder: De Roden en de Witten, Gábor Bódy [Nárcisz és Psyché], Pál Sándor [Een vreemde rol], András Kovács, István Szabó [Mephisto en Vertrouwen], Pál Gábor [Kettévált mennyezet; Een scheur in het plafond], Péter Gothár [Wat een lekkere dag, en: Megáll az idő [De tijd stond stil], Zsolt Kézdi-Kovács [Beste buurman], Ferenc Kósa [A mérközés, de wedstrijd], László Lugossy [Köszönöm, megvagyunk; Dank u, het gaat wel], Péter Bacsó [Tegnap előtt,Eergisteren], Béla Tarr [Family Nest], Károly Makk [Achter de bakstenen muur, en: Another way], Zoltán Fábri [Requiem] en Zoltán Huszárik [┼ 1982].
Op een zeer levendige bijeenkomst ter afsluiting van de XIVe Hongaarse Filmdagen in Pécs [febr. 1982] zegt de onder-minister van cultuur Dezsö Tóth zelfs: "De homo politicus begint eindelijk zijn alleenheer­schappij te verliezen. Alleen kunst kan de maatschappelijke trauma's oplossen, die voor de logica onbereikbaar zijn; één van de belangrijkste knelpunten is de verstoorde verhouding tussen mannen en vrouwen. Dit zijn geen privé-problemen; aan de basis is iets niet in orde". [Naar artikelen in Trouw en NRC/Hbl. uit febr./mrt. 1980, mrt. en sept. '81, febr. '82 en febr. 1983]. Bijzonder is verder dat op het internationale filmfestival in Cannes in mei 1981 de film "Mephisto" van István Szabó een zeer hoge onderscheiding krijgt en in Hollywood wordt deze Hongaarse film in maart 1982 met de Oscar onder­scheiden als "beste buitenlandse film"…..
Van belang zijn verrder de tegenvallende economische cijfers van 1980. Het nationale inkomen steeg weliswaar nog met 1 %, maar het plan was: 3 à 3,5 %! De industriële produktie met 2,5 à 3 % [het plan was: 3,5 à 4 %] en de inkomens stegen helemaal niet. De agrarische produktie steeg echter wel met 5 % en de boeren hebben vooral meer graan geoogst dan het plan had voorzien. In 1980 bedroeg de import bijna Ft. 300 mrd [d.w.z. Ft. 9,0 mrd lager], en de export is Ft. 281 mrd. [d.w.z. Ft. 1,1 mrd lager].
Ook voor 1981 verwacht men een zeer langzame groei van 2 à 2,5 % en van 1 % voor de reële inkomens per hoofd der bevolking. Voor 1981 wil met vooral het tekort op de handelsbalans verminderen terwijl de levensstandaard gehandhaafd moet blijven, en daarvoor moet dus de export naar het westen krachtig worden uitgebreid!…. De invoer uit de westerse landen mag daarentegen slechts een klein beetje stijgen. Ook wat betreft het toerisme is vooral het aantal West-Europeanen van belang want zij, b.v. de bijna 900.000 Oostenrijkers en de 500.000 West-Duitsers leveren verreweg het meest op! Van de 14 miljoen toeristen komen echter nog altijd meer dan 12 miljoen uit de andere Oost-Europese landen, die weinig te besteden hebben!
Van 1960 tot 1980 werd het nationale inkomen wel 2,7 maal zo groot en de industriële produktie werd 3 maal zo groot, de agrarische produktie groeide met 80 %, er werden in 20 jaar 1.300.000 woningen gebouwd, 80 % [in 1960: 1 %] der gezinnen heeft nu tv, en 90 % [in 1960: 15 %] een wasmachine terwijl 30 % [in 1960: 1 %] een eigen auto bezit. De inkomens per maand bedragen nu Ft. 5.000 à 7.000 voor mannen, en Ft. 3.000 à Ft. 3.800 voor vrouwen, maar er is ook sprake van inflatie! Er zijn nu 2,1 mln gepensioneerden [d.w.z. ruim 1/5 deel der bevolking!] met een [zeer geringe!] uitkering van Ft. 2.300 per maand en velen van hen leven dus in armoede en kunnen zich niet veel permitteren. Ongeveer 1/4 deel van hen is nog werkzaam op een privé-bedrijfje [een lapje grond] en verdient er dan Ft. 1.200 p.mnd erbij, maar 1/3 van hen leeft met [bij] de kinderen onder één dak. In 1/6 der gezinnen telt men zelfs nog altijd twee generaties volwassenen, en veel vrouwen bevinden zich nog altijd in een ondergeschikte positie!
Toch heeft de vrouw i.v.m. zwangerschap recht op 3 jaar verlof; en half jaar met 100 % salaris, en daarna 2,5 jaar met 1/3 van het laatste salaris.
Van 1981 t/m 1985 is het VIe vijfjarenplan van kracht en vanaf 1 januari 1981 hebben kleine bedrijven [winkels] en restaurants, enz. toestemming om een keten te vormen en via een huurovereenkomst een zaak te exploiteren, en deze toestemming krijgt in de nabije toekomst nog grote betekenis: de verdere liberalisering der Hongaarse economie lijkt niet te stuiten! Dat blijkt b.v. ook uit de plannen voor een eerste casino in het hele ‘Oostblok’, dat in april 1981 in het Hiltonhotel in Budapest wordt geopend! Enkele maanden eerder kon men in Hongarije hiervoor al een opleiding als croupier volgen! Hongarije steekt 51 % van het beginkapitaal erin, de Österreichische Spielbanken AG." de overige 49 %. Alleen met Deutsche Mark kan men hier betalen, zodat n.b. Hongaren er zelf [voorlopig] wel niet aan te pas zullen kunnen komen!.... "Wij hebben harde valuta nodig, en het maakt niet uit of er dan sprake is van kapitalisme of van socialisme", aldus n.b. een woordvoerder van het casino!…

''Lenin'', Pál Pátzay, 1970.

top