< Terug

17.  De wisseling van de wacht [a rendszerváltás] of: de overgang naar de        demokratie, 23 mei 1988 tot 23 mei 1990

17.14 De benarde financieel-economische situatie in Hongarije in het voorjaar van 1990.

Deze samenleving verander je niet van de ene dag op de andere”, aldus Péter Szirmai, voorzitter van de Nationale Vereniging van Particuliere Ondernemers. [NRC-Handelsblad, 28 febr. 1990].

Bij de overgang van een gecentraliseerde planeconomie naar een vrije markteconomie spreekt het vanzelf dat er zich fundamentele veranderingen en op verschillende terreinen moeilijkheden zullen voordoen en dat de bevolking in veel gevallen vooral wil weten waar ze aan toe is. De lonen en de prijzen zullen een enorme sprong maken en de inflatie zal naar verwacht sterk toenemen of in elk geval hoog [nu n.l. 20 %] blijven. Bovendien wordt, zoals eerder is vermeld, door iedereen verwacht dat veel onrendabele bedrijven zullen moeten sluiten en dat de ongeschoolde of slecht opgeleide werknemers veel moeilijker een nieuwe baan zullen kunnen vinden. Die banen liggen in dit land niet voor het opscheppen maar er bestaat toch veel hoop dat met name westerse bedrijven in Hongarije zullen blijven investeren en nieuwe bedrijven in dit land zullen opzettten. Het is namelijk ook velen allang bekend dat talloze nieuwe sektoren in Hongarije nog onderontwikkeld zijn en dat dit land in veel opzichten, ondanks de pogingen tot en de resultaten van meer economische vrijheden sinds de latere jaren ’60, toch in vele opzichten is achtergebleven wanneer men dat vergelijkt met de westerse wereld.
Voor Hongaren was die westerse wereld al vele jaren bijna synoniem met Oostenrijk en ‘de Hongaar’ kon hier nu eenmaal al vele jaren de nieuwste technische snufjes op b.v. elektronisch gebied, die ‘thuis’ onbekend waren, kopen. De vergelijking met Oostenrijk viel, zodra het over welvaart en technische vooruitgang ging, immers al vele jaren zéér duidelijk zichtbaar, voor het eigen land beslist negatief uit en zéér vele Hongaren wensten al in de jaren zestig zonder meer een voorbeeld te nemen aan het zo nabije maar ergens óók onbereikbare westelijke buurland!
Maar nu, vanaf 1989, is eindelijk de tijd óók voor Hongarije gekomen om een westers land met een vrije markt te worden, overigens zonder ooit een kopie van datzelfde westen te worden! Het blijkt dan al snel dat héél wat grote Hongaarse bedrijven, waarop men tot voor kort zo trots was, niet of nauwelijks meer als zelfstandige onderneming bestand zijn tegen de opening van de grenzen voor bijvoorbeeld het kapitaal en de know how, voor het westerse systeem in de wereld van de banken, hypotheken en levensverzekeringen, computers, efficiency, marketing, electronica, autoindustrie, zo snel mogelijke verbindingen en talloze andere sektoren.
Privatisering en een gedeeltelijke of zelfs volledige overname door een westers bedrijf in dezelfde sektor, óf een forse investering lijkt dan vaak de énige oplossing! Bovendien blijkt dat de intussen veertig jaar oude banden met de andere landen van de zgn. “Raad voor Wederzijdse Economische Hulp”, in het westen als “Comecon” bekend, niet veel meer dan waardeloze roebels zullen opleveren en dat de Comecon [net als het Pakt van Warschau!] in feite zo ongeveer aan haar einde is…. Ook díe omschakeling zal de nodige tijd en moeite vragen.
Daarom wilde premier Németh het land voorbereiden op de laatste fase vóór de verkiezingen en riep in december 1989 een ‘nationale top’ [of Ronde Tafel, zie ook 17.12.] met de vertegenwoordigers van zestien politieke partijen, belangengroepen en parlementaire commissies bijeen die een consensus moet bereiken over de binnenlandse politiek en over de aanpak van de economische crisis tot aan de verkiezingen in 1990. De situatie is n.l. meer dan dramatisch want met het budget staat of valt de mogelijkheid dat Hongarije haar schulden nog kan betalen óf niet meer, en dit zal volgens Németh een basisvoorwaarde zijn voor de bereidheid van zowel IMF als Europa om Hongarije verder krediet te verschaffen en daarmee steun te verlenen!
Hiervoor moeten echter aan de bevolking uitzonderlijk zware lasten, spaarmaatregelen, worden opgelegd. Als Hongarije hieraan wil voldoen moet de bevolking in 1990 enkele bittere pillen slikken: minstens 20 % inflatie, een verdubbeling van de huidige huren, stijgende levensmiddelenprijzen en de sluiting van 50 bankroete staatsbedrijven en daarmee een stijging van de werkloosheid. Het ziet er eind december naar uit dat vooral de meeste politieke partijen de situatieschets van Németh wel accepteren en zich niet zullen verzetten tegen de harde financiële maatregelen hoewel ze wèl benadrukken dat dit niet betekent dat ze zich verantwoordelijk voelen voor het bankroet van het land! De vakbonden deden echter moeilijker en wilden dan ook een liberalisering van de lonen en de regering zegt dan toe hiervoor een compromis te zoeken en de parlementaire commisies tenslotte wensten o.a. dat wetten die op sociaal gebied een langdurige werking zouden hebben, zoals de woningbouw en de huren, pas door het komende parlement zullen moeten worden goedgekeurd. [naar: Budapester Rundschau, 51/52, 18 december 1989]. Bovendien besluit de Hongaarse regering de handel met de Sovjet-Unie die in roebel wordt verrekend, stop te zetten omdat het land -zoals eerder vermeld- met die elders waardeloze roebels niets kan!
Er zullen zich dus nog zeer veel problemen voordoen bij de overgang naar een vrije markteconomie want er moet, zoals gezegd, geleidelijk een einde komen aan o.a. de zware subsidies op industriële [staats-] bedrijven. Intussen verkopen echter direkties en bedrijfsraden hier en daar al op eigen houtje Hongaarse bedrijven aan de meest biedende buitenlandse bedrijven en men eigent zichzelf op deze manier staatsvermogen toe hetgeen nu al zéér veel kritiek van de publieke opinie uitlokt! Aldus worden de managers van de partij op oneerlijke wijze verrijkt omdat ze op grond van nieuwe economische wetten bevoegd zijn om staatsbedrijven aan zichzelf te verkopen!……
Die managers worden de nouveaux riches van Hongarije of “de eerste handelaren met voorkennis” van het communisme want velen kennen uiteraard al die nieuwe bepalingen, die nieuwe concepten en financiële technieken en de wetten ook niet. Slechts weinig Hongaren beschikken over veel kapitaal en veel geld moet dus worden geleend. Ook opvallend is dat er -tot voor kort- geen onroerend goed is dan in handen van de staat en posten als ’onroerend goed’ en ’huur’ komen dan niet eens voor!…Omdat een werknemer gemiddeld per jaar nog geen 100.000 Forint verdient en een nieuwe auto 300.000 Forint kost komen die nieuwe westerse wagens dus alleen in hun handen …. [naar: “Privatisering in Hongarije vol met struikelblokken”, NRC-Hbl. 6 januari 1990].
”Wetten op privatisering en corruptie laten nog behoorlijk ruimte voor mogelijkheden tot corruptie en clevere zakenlui kunnen veel geld ‘maken’” en sociale onvrede en verbittering zullen dus blijven… [Béla Weyer, Süddeutsche Zeitung, za/zo 13/14 januari 1990]. Er zijn overigens al heel wat ervaren mensen van de oude ‘nomenklatoera’, het apparaat waarmee de communistische partij lange tijd Hongarije onder controle hield, en velen van hen vrezen ook dat de verwachte overwinning van de oppositiepartijen bij de komende verkiezingen zal leiden tot ontslagen bij ministeries, staatsbedrijven en coöperaties en het feit dat de meeste communisten sinds enige tijd socialisten heten, dat zij allang voorzichtig met hervormingen van de economie bezig zijn, zal hen niet tegen een zuiveringsaktie beschermen. [Ben van der Velden, NRC-Hbl, 28 febr. 1990].
Maar velen van hen denken toch goede kansen te hebben in de privé-sektor, die immers zal groeien naarmate Hongarije verder de weg inslaat naar een markteconomie. Zij zijn immers vakkundig en kennen veel mensen goed, zodat ze de vele relaties straks ook nog wel kunnen gebruiken en van die nomenklatoera lopen er nu veel leden voorop om in het nieuwe klimaat weer een zo goed mogelijke positie te veroveren. Bovendien zijn veel topmensen en bedrijfsleiders op hun manier professioneel bezig geweest en ze zijn al jaren soepel met de hervormingen meegegaan. De vrees voor een grote zuivering en voor ontslag blijft echter ook omdat die door politici van de oppositie, o.a. het Hongaars Demokratisch Forum, wordt aangewakkerd en die vrees bestaat niet alleen bij ambtenaren maar ook bij b.v. de Vakbondsfederatie, de SZOT met nog altijd vier miljoen leden. Die vakbond, die vele jaren slechts achter de partij aanliep en gewend was om vooral op uitvoering van de partij- en regeringsbesluiten te letten, heeft zich overigens ook -nu als onafhankelijke organisatie- voorzichtig vernieuwd en aangepast want de bestuurders worden voortaan door de leden gekozen en drie van de vijf leden van de hoogste top hebben al besloten zich niet meer kandidaat te stellen! Het zal uiteraard nog moeten blijken of de arbeiders zich ook in de nabije toekomst door een vakbond vertegenwoordigd zien en hoe de vakbonden verder een invulling kunnen en willen geven aan het behartigen van de belangen van de werknemers! Alleen al het feit dat niemand die zélf een funktie heeft, weet om te gaan met het nieuwe verschijnsel van werkloosheid én dat niemand kan zeggen hoeveel werklozen er eigenlijk in dit land zijn, spreekt boekdelen! Datzelfde geldt ook min of meer voor het begrip armoede waarvan iedereen weet, ziet, dat die zich op steeds grotere schaal voordoet, maar waarvan ook velen denken dat daarvoor geen oplossing is. Alom wordt tegenwoordig b.v. tweedehandskleding verkocht en de vraag neemt toe want de prijzen vliegen omhoog en steeds meer mensen raken zonder werk. Jongeren vinden geen werk en bejaarden zien bij de inflatie van nu rond 30 % de koopkracht van hun pensioen dalen. Maar zeer traag onderkent Hongarije dat deze immense omschakeling -ook grote- sociale problemen met zich meebrengt en het is volgens de direktrice van het Nationaal Arbeidsmarktcentrum, Anna Matoricz, zelfs “om ideologische redenen voor onze samenleving zeer moeilijk om te aanvaarden dat er sprake is van werkloosheid en armoede die niet de schuld van de betrokkenen zelf is”…. [naar: Ben van der Velden, NRC-Handelsblad, 5 maart 1990].  .
Talloze mensen kloppen bij b.v. de gezinshulp aan omdat ze rekeningen en huren niet meer kunnen betalen en die hulp staat mensen ook bij door het verstrekken van tweedehandskleding. Ook wordt wel gewezen op mogelijkheden met zwart werk wat bij te verdienen, maar in een land waar tweede banen en zwart werk meer regel dan uitzondering zijn, bestaan niet veel mogelijkheden meer [idem].
Toch wordt er al systematisch iets gedaan aan omscholing, b.v. door het International Business Management Center dat sinds een jaar funktioneert als opleidingsinstituut van een Amerikaans-Italiaans-Hongaarse joint venture in een buitenwijk van Budapest. Volgens de direktrice Zsuzsanna Ránki zijn de meeste leerlingen van een vijfdaagse cursus van staatsbedrijven afkomstig en die staatsondernemingen betalen de cursussen ook! Het gaat hierbij vooral om het overbrengen van nieuwe ideëen, het stimuleren van een nieuw denkproces, en sommige direkties zijn snel met het overnemen van het marktdenken; ze gebruiken hun kennis van regelingen, klantenkring en leveranciers om een particuliere onderneming te beginnen”, aldus mevrouw Ránki. [naar: NRC-Hbl., 28 febr.].
De meeste Hongaren zullen ook moeten wennen aan de komst van vele ‘onbekende’ Westerse bedrijven die in Hongarije willen investeren en, als dat kan, bedrijven zullen willen overnemen om ze uit te breiden, de produktie te versterken, radikaal te vernieuwen en voor de nieuwe markten klaar te maken. ”Levert dat alles uitsluitend voordeel voor ons op?”, zo zullen velen zich afvragen, maar in feite heeft men geen keus!
Men verwacht overigens dat de economische gevolgen, de suksessen, van de privatisering nog wel enige tijd op zich zullen laten wachten en dat het allemaal lang niet zo vlot zal gaan als sommigen wel hopen of verwachten. In de lagere regionen wemelt het immers nog van de funktionarissen oude stijl en lang niet iedereen zal snel rijk kunnen worden, óók niet de industriëlen uit het westen, de financiers en financiële managers. Men ziet op lokaal niveau vaak ook niet graag dat een ervaren iemand van de partij nu ineens plaats maakt voor een onbekende. Sleutelposities worden niet graag prijsgegeven…
Soms gaat men ineens ook b.v. niet akkoord met de aangegeven prijs en gaat de hele transaktie ineens toch niet door! Toch is Budapest nu booming en vanuit Oostenrijk, Italië, Amerika en de rest van West-Europa blijft men zich melden. Alleen al in 1989 werden meer dan 300 nieuwe joint ventures met buitenlandse partners in Hongarije geregistreerd, meer dan de helft van het totaal van het afgelopen decennium! [NRC-Hbl., 6 jan. 1990]. Ook voor Gábor Rényi, een zeer suksesvol ondernemer die computers importeert, roept de privatisering vragen op: ”Wie zal beslissen welke mensen rijk mogen worden? Wie zal beslissen wat een billijke prijs is? Wel gelooft hij dat “we na veertig jaar planeconomie naar een nieuw tijdperk gaan maar zo’n verandering voltrekt zich niet van de ene op de andere dag”.

top

De al fundamentele en ingrijpende verandering van de politieke situatie en de nieuwe oriëntatie van Hongarije op het westen brengt uiteraard óók een enorme verandering voor het hele financiële en economische leven met zich mee want het land wil zich op dit terrein losweken van de landen die tot voor kort aan de Sovjetrussische roebel waren verbonden en hiervan, bijvoorbeeld betr. de olie en gasleveranties, afhankelijk waren!
Voor bedrijven die zich tot heden vooral richtten op de export naar de Sovjet-Unie, beginnen dus slechte en vooral onzekere tijden! Een voorbeeld is het bedrijf ‘Híradástechnika’ [Telecommunicatietechniek] dat met 1.600 werknemers nog behoort tot de beste ondernemingen in Oost-Europa op het gebied van televisietechnologie, kabeltelevisie en het analyseren van signalen van satellieten. Plotseling komt het bedrijf in februari 1990 in moeilijkheden en er bestaat zelfs angst dat er binnen een maand niet meer voldoende geld is voor 1.600 mensen te betalen! Driekwart van de jaaromzet van 2 miljard Forint [< 70 mln gld.] van de coöperatie bestond tot voor kort uit export naar de Sovjet-Unie en Híradástechnika ontving altijd voor de aan de Sovjet-Unie geleverde apparatuur Forinten van de Hongaarse regering. De apparatuur ging naar de Sovjet-Unie in ruil voor produkten, olie, gas, slechte kwaliteit auto’s maar Hongarije kreeg, omdat de Sovjet-Unie niet genoeg goederen voor Hongarije had, óók steeds meer roebels die het nergens kon besteden. De Hongaarse regering wil die roebels niet meer en betaalt daarom sinds begin februari geen forinten meer aan bedrijven die naar de Sovjet-Unie exporteren.
Dat betekent voor veel Hongaarse staatsbedrijven [60 % van de economie] en coöperaties [25 % van de economie] dat de hele uitvoer naar de Sovjet-Unie is gestopt. In feite werd die export altijd door de Hongaarse regering gesubsidieerd en beëindiging van deze situatie past uitstekend in het kader van een overgangsbeleid van centraal geplande economie naar markteconomie en dat was uiteraard, o.a. omdat de hoeveelheden die moesten worden geëxporteerd voor vijf jaar vast stonden, buitengewoon gemakkelijk, aldus de coöperatievoorzitter ir. Köveskuti. [Ben van der Velden in: NRC-Handelsblad, 2 maart 1990].
Dit éne geval toont echter al aan dat Hongarije op veel terreinen nog een aantal jaren voor enorme problemen staat want de normen die de Russen altijd aanlegden, d.w.z. de lage eisen die ze stelden, zijn absoluut niet dezelfde als de westerse, en een bedrijf als Híradástechnika heeft bovendien nog te maken met de lijst van de Cocom: het verbod op de export van technologie uit Oost-Europa naar het Westen terwijl de nieuwste technologie uit het Westen voor de Hongaren altijd onbereikbaar was! Veertig jaar leefde men in een situatie die weinig veranderde en die o.a. ook zekerheid bood aan honderdduizenden werknemers die nu eenmaal volgens plan werkten op basis van de gedachte aan samenwerking en specialisatie van de Comecon. Vèrreweg het meeste werk betekende hiermee zo ongeveer het tegenovergestelde van een uitdaging, een nieuwe kans, vooruitgang, ook zélf nadenken, een eigen risiko, eigen verantwoordelijkheid en achteraf kan men in veel gevallen gemakkelijk toegeven dat “de Russen ons dwongen tot slechte kwaliteit omdat ze geen geld hadden voor betere machines”. [Ben van der Velden, NRC-Hbl. 3 maart 1990]. Ook het staatsbedrijf Ikarus, met een omzet van $ 500 mln en de grootste fabrikant van autobussen ter wereld, heeft haar 10.000 werknemers, d.i. vrijwel het voltallige personeel, tijdelijk met behoud van 80 % van hun salaris naar huis gestuurd. [NRC-Hbl., 2 maart 1990].… Ineens kon Ikarus n.l. geen 4.500 bussen aan de Sovjet-Unie leveren en men is bij het staatsbedrijf dus geërgerd, maar ook de vele toeleveringsbedrijven ondervinden hiervan de vervelende gevolgen! Één van die bedrijven was de al eerder genoemde verffabriek, het staatsbedrijf Tisza Vegyi Kombinát, dat de lak voor de bussen leverde, maar nú is voortaan een anti-corrosie coating vereist en om aan die vraag te voldoen wilde TVK een joint venture aangaan met een westers bedrijf en AKZO/TVK gaat in Hongarije de coatings voor Ikarus‘ export naar het Westen fabriceren! De direkteur van Ikarus, István Lepsényi, had zelfs de leiding bij het overleg met het Japanse bedrijf Suzuki over meer samenwerking en dat leidde tot de oprichting van een een joint venture van o.a. twintig Hongaarse bedrijven in één holding samen met Suzuki, en bij dit projekt, dat pas na drie jaar de eerste winst moet gaan opleveren, komt al vroeg in 1990 ”het grote vraagteken of Hongaarse werknemers onder leiding van enkele tientallen Japanners tot Japanse produktiemethoden kunnen komen”. Want efficiënt werken moet in vele Hongaarse staatsondernemingen nog beginnen en massa ontslagen zullen onvermijdelijk zijn van werknemers die tot nu toe in dienst werden gehouden hoewel ze volstrekt overbodig waren geworden!..
Merkwaardig is overigens de gang van zaken bij het eerder al genoemde grote, oude en gerenommeerde bedrijf, de gloeilampenfabrikant Tungsram, die in handen was van enkele banken en nu door het Amerikaanse General Electrics is overgenomen en ook wel een deel van de markt [de Sovjet-Unie] verloor maar zich nu vooral richt op West-Europa waar al 45 % van de produktie plaatsvindt! De president-commissaris, de hoogste positie van de nomenklatoera binnen het bedrijf, die door de minister van industrie werd benoemd, is de laatste jaren András Gábor, die ook voorzitter is van de Hongaarse Kamer van Koophandel, een centraal instituut van de burokratie van de afbrokkelende centraal geleide planeconomie…  Maar Gábor heeft zich ervan weten te verzekeren dat, nu de  president-commissaris door de aandeelhouders wordt gekozen, hij zijn post kon behouden en de vertegenwoordigers van General Electric hebben hem, als funktionaris met zijn vele oude relaties in de Hongaarse economie, een nieuwe periode van vijf jaar als president-commissaris bezorgd….[Ben van der Velden, NRC-Hbl., 3 maart 1990].
Aldus kan men zich ook hierbij afvragen wie in dit land nu eigenlijk ‘schuldig’ is en/of straks bijvoorbeeld moet of zal worden weggezuiverd] alleen omdat hij/zij bij de zogenaamde nomenklatoera hoorde en dus vooral de kennis en ervaring en de relaties heeft en zich in de regel toch óók vele jaren heeft ingespannen voor het welzijn van dit land!

Pas na 1990 kan er een standbeeld van Imre Nagy komen!


Met zo’n eventuele zuivering van voormalige partijleden zouden zich toch eigenlijk alleen diegenen mogen bezighouden die zélf, persoonlijk aktief in verzet kwamen tegen het regime, maar zulke Hongaren zijn nu juist niet of nauwelijks te vinden! Er zijn van de jaren ’80 bijvoorbeeld slechts ongeveer veertig namen van ‘dissidente’ schrijvers en intellektuelen bekend! Al vanaf de vroege jaren ’60 gold immers vooral dat ‘de’ Hongaren zich toch vooral aan de -vergeleken bij de buurlanden helemaal niet zo ongunstige- [!] omstandigheden hebben aangepast en verder deden wat werd gevraagd en/of vooral hun eigen gang gingen! Bovendien erkende men tot voor kort óók in het Westen de nu eenmaal gegeven politieke situatie en de ‘scheiding’ tussen Oost en West dwars door Europa! De geschiedenis van de afgelopen jaren heeft de Hongaren vooral geleerd vooruit te kijken en van de, weliswaar beperkte, mogelijkheden gebruik te maken: “Je moet maar waarderen zoals het nu eenmaal is” gold in Hongarije al in de jaren ’60 als de hoogste wijsheid!…. Maar de situatie is nu bezig radikaal te veranderen en het heeft geen zin om terug te kijken, hoewel dat gemakkelijk gezegd is. Vele tienduizenden verkeren immers in armoede en zonder vooruitzicht op betere tijden en men hoort dan om zich heen vooral berichten over moeilijkheden, steeds grotere problemen, werkloosheid, daklozen, een zwarte markt, verpaupering, prijsstijgingen en ‘onzekere tijden’… Toch lijkt dit land voorlopig een goed investeringsklimaat te hebben want de combinatie van lage lonen en goed opgeleide mensen in het centrum van Europa zal stellig nog veel meer West-Europese bedrijven aantrekken!
Maar het valt nog altijd niet mee en realistisch beeld van de Hongaarse werkelijkheid te krijgen. Aan de éne kant geldt dat ”de gemiddelde Hongaar” een maandsalaris heeft van tussen de 7 en 9.000 Forint, d.w.z. volgens de officiële koers 200 à 250 gulden [maar een lagere en veel meer reële waarde in het ‘zwarte circuit’] terwijl dat salaris regelmatig wordt opgetrokken omdat de inflatie toch eerder boven dan beneden de 20 % zal blijven, maar aan de ándere kant heeft driekwart van de werkende Hongaren nog altijd twee banen -overdag werkt hij weliwaar niet echt, maar door zijn aanwezigheid in een staatsbedrijf strijkt hij ‘presentiegeld’ op, maar ’s avonds ploetert hij, vooral in Budapest in taxi’s, hotels of restaurants, op jacht naar dollars en marken!”
Dat zoveel Hongaren [al zolang!] graag westers contant geld in handen hebben heeft uiteraard te maken met het feit dat de koers van de Hongaarse forint naarmate die vrijer wordt óók naar beneden gaat en bovendien ‘ergens’ ook fiktief is! Één gulden is officieel 30 Ft waard, maar ‘zwart’ is dat 50 Ft. [1 Ft is formeel > 3 cent, maar reëel dus 2 cent]. Bovendien is de Hongaarse munt nog niet convertibel, d.w.z. vrij inwisselbaar voor de DM, de dollar of gulden…     

top

Maar lang niet iedereen slaagt daarin want b.v. de toeristen komen nog altijd vrijwel alleen in Budapest en rond het Balatonmeer en in grote delen van b.v. het Noordoosten van het land [Miskolc en wijde omgeving] is de toekomst uitzichtloos en de armoede is nabij. Zelfs volgens onderzoek van de nieuwe, dus min of meer oppositionele en kritische vakbond, de Liga van Vrije Vakbonden, leven drie van de tien miljoen Hongaren intussen onder armoedegrens. “Met het uitzicht dat daar de komende twee, drie jaar zeker niets aan zal verbeteren, is dat zorgelijk” [naar: Erik van Gruijthuijsen, Het Parool, 5 en 6 maart 1990].
Men verwacht dus dat de economische gevolgen [suksessen] van de privatisering nog wel op zich zullen laten wachten en dat het allemaal lang niet zo vlot zal gaan als sommigen wel hopen of verwachten. In de lagere regionen wemelt het nog van de funktionarissen oude stijl en lang niet iedereen zal snel rijk kunnen worden, ook niet de industriëlen uit het westen, de financiers en financiële managers. Men ziet op lokaal niveau vaak ook niet graag dat een ervaren iemand van de partij nu ineens plaats maakt voor een onbekende. Sleutelposities worden niet graag prijsgegeven…Soms gaat men ineens niet akkoord met de aangegeven prijs en gaat de hele transaktie ineens toch niet door! Toch is Budapest nu booming en vanuit Oostenrijk, Italië, Amerika en de rest van West-Europa blijft men zich melden. Alleen al in 1989 werden meer dan 300 nieuwe joint ventures met buitenlandse partners in Hongarije geregistreerd, meer dan de helft van het totaal van het afgelopen decennium! [NRC-Hbl., 6 jan. 1990].
Ook voor Gábor Rényi, een ondernemer die computers importeert, roept de privatisering vragen op”Wie zal beslissen welke mensen rijk mogen worden? Wie zal beslissen wat een billijke prijs is?. Wel gelooft hij dat “we na veertig jaar planeconomie naar een nieuw tijdperk gaan. Zo’n verandering voltrekt zich niet van de ene op de andere dag”, maar ook dit is politiek! Zo vindt vooral uiterst links, Róbert Ribánszky b.v., maar óók rechtse nationalisten [!], zelfs van het MDF, dat men ”ons familiezilver, de parels van onze economie, in een snel tempo en voor een spotprijs aan buitenlanders verkoopt”. En weer anderen [vooral van rechts] menen dat de managers van de partij op oneerlijke wijze worden verrijkt; op grond van nieuwe economische wetten zijn zij bevoegd om staatsbedrijven te verkopen, aan zichzelf… Die managers worden de nouveaux riches van Hongarije of “de eerste handelaren met voorkennis” van het communisme. Velen kennen uiteraard al die nieuwe bepalingen, die nieuwe concepten en financiële technieken en de wetten ook niet. Slechts weinig Hongaren beschikken over veel kapitaal en veel geld moet dus worden geleend. Ook opvallend is dat er geen onroerend goed is dan in handen van de staat en posten als onroerend goed en huur komen dan niet voor! …Gemiddeld verdient een werknemer per jaar nog geen 100.000 Forint en een nieuwe auto kost 300.000 Forint….[“Privatisering in Hongarije vol met struikelblokken”, NRC-Hbl. 6 januari 1990].  
Naast of tegenover de zéér velen die slechts een sober of armoedig bestaan lijden staat dus een veel kleinere groep mensen die het nu eindelijk goed of beter gaat omdat ze zich eindelijk zakelijk kunnen ontplooien terwijl ze vroeger te maken hadden met allerlei beperkingen en nooit de kans kregen om zelfstandig een bedrijf op te zetten, wèlke prachtige ideëen ze ook daarvoor hadden! Door b.v. Ben van der Velden [NRC-Hbl., 6 mrt. ’90] en Bart Vink [Intermediair, 23 mrt.’90] worden hiervan enkele voorbeelden geschetst, zoals dat van de 44-jarige József Pintér, een man met zakelijk inzicht en vakmanschap, die met zijn gouden handen als monteur begon en die nu geldt als “het meest uitzonderlijke voorbeeld van hoe iemand in enkele jaren rijk kon worden”. De waarde van zijn gebouwen en machines in zijn geboorteplaats Kecel, op de puszta, wordt nu geschat op ruim 1 miljard Forint [volgens de officiële koers 30 miljoen gld]. Hij begon al tien jaar geleden met een eigen zaak voor allerhande reparaties maar werd door de wet regelmatig gehinderd op z’n weg naar uitbreiding en verbetering, hoewel hij steeds doorging èn de intussen steeds minder beperkende bepalingen ‘dan maar’ accepteerde maar intussen onvermoeibaar vocht. Vijf jaar geleden werkten slechts drie man voor hem, nu werkt hij met 500 werknemers in nieuwe grote fabriekshallen aan schroeven, machines, machine-onderdelen, instrumenten, gereedschappen en staalconstructies, en  z’n jaaromzet bedraagt Ft. 500 miljoen, waarvan een 100 mln winst, die hij vooral herinvesteert. 80 % van de produktie wordt uitgevoerd, o.a. naar Oostenrijk, West-Duitsland, Japan en Frankrijk en intussen verdienen werknemers bij hem zéker tweemaal zoveel als in staatsbedrijven en laat wel weten dat “je kunt exporteren als je de regels respekteert; snel en precies werken volgens de prijzen van de wereldmarkt!”. Dat ziet er dus veelbelovend uit, maar zo zijn er meer voorbeelden van geslaagde zakenmensen die de kansen voor hun bedrijven hebben gegrepen en nú hiervan profiteren! ……….
Dat geldt b.v. voor het privé-computerbedrijf Műszertechnika [MT] van de direkteuren en oprichters Gábor Széles en András Kőszegváry dat geldt als “het IBM van Hongarije” en zegt zich in kwaliteit te kunnen meten met westerse concurrenten. In acht jaar groeide MT van 12 naar 400 werknemers, gemiddeld niet ouder dan 35 jaar. Het bedrijf boekte vorig jaar een omzet van naar schatting $ 80 miljoen, heeft vestigingen in acht landen en geldt als ‘de beste werkgever van het land’…”Wij betalen gemiddeld drie, misschien wel vier keer zoveel als het gemiddelde salaris in Hongarije en Ft. 12.000 [officieel ± 330 gld.] is het absolute minimum als maandsalaris maar er zijn niet meer dan vijf werknemers die op dat niveau zitten”, en de werknemers krijgen hierbij nog allerlei faciliteiten, zoals gratis tennisles en vakanties. De beide direkteuren genieten dan ook enorm aanzien in het land en Gábor Széles acht het zelfs vrijwel uitgesloten dat iemand anders dan hij, kopstuk van het MDF, de nieuwe minister van industrie wordt en dat zegt hij ook tegen ieder die het maar horen wil!
Bovendien is het bedrijf de trots van Hongarije en het vormt het bewijs dat het land zelf de kennis én managerskwaliteiten in huis heeft om zich in het internationale bedrijfsleven te manifesteren… Dat MT juist in een hoogwaardige industrie als de computersektor zo hoog scoort, wekt in Hongarije nauwelijks verbazing. Het volk is zeer wiskundig aangelegd. Elke belangrijke winkelstraat in Budapest heeft een ‘software house’ [szoftver ház] waarin Hongaarse artikelen worden verkocht en computerspelletjes zijn een volksgekte. Maar volgens Köszegváry ontbreekt het in Hongarije volledig aan hardware. Wel beheerst men zelfs de techniek voor de bouw van pc’s maar dat doet men niet ”omdat het te duur is en omdat er in Hongarije te weinig mensen zijn die dat kunnen”. In Taiwan laat het bedrijf in licentie o.a. chips en beeldschermen maken en die worden dan naar Budapest geëxporteerd waar de onderdelen worden ingebouwd. De jaarproduktie bedraagt intussen 8 à 10.000 pc’s en een kwart wordt verkocht in het buitenland en aldus was Műszertechnika zelfs in staat om het machtige staatsbedrijf Videoton volledig uit de computermarkt te drukken! [naar: Erik van Gruijthuijsen in Het Parool, 5 maart 1990].
Een bedrijf met toekomst lijkt ook de aloude Budapester scheeps- en kraanwerf Ganz Danubius met haar 850 werknemers te zijn, die immers al 126 jaar, sinds Ábrahám Ganz in 1844 een scheepswerf in Buda stichtte, ervaring heeft met de bouw van zware installaties voor de rivier- en zeescheepvaart, drijvende kranen, coasters, pontons, enzovoorts. Tot voor kort produceerde men zelfs 90 % van de leveranties voor de Russen en dat ”heeft ze geleerd hóe machines te laten werken bij zowel 40 graden onder als boven nul!” De [een] direkteur van Ganz Danubius, Péter Markó, is echter niet van plan om zich ineens terug te trekken van de grote Russische markt want “die kennen we te goed om er geen voet tussen de deur te houden” en zijn bedrijf is óók toekomstgericht want Markó verklaart o.a. dat “wij natuurlijk graag de grote leverancier willen worden voor de vloot die straks het Rijn-Main-Donau-kanaal gaat bevaren!” Het Hongaarse bedrijf had overigens al in 1988 een kraaninstallatie mogen bouwen voor het Amsterdamse havenbedrijf J.C. van Dijke en vorig jaar plaatste De Rietlanden de eerste grote westerse order bij Ganz; een drijvende kraan die per uur 1.300 ton aan goederen kan overslaan en Ganz heeft intussen meerdere contacten met Nederlandse bedrijven en heeft een joint venture opgericht met een Nederlands bedrijf. [naar: Erik van Gruijthuijsen, Het Parool, 7 maart 1990].
Een andere direkteur van de bekende werf, Ádám Angyall, weet het doel van zijn bedrijf kort samen te vatten: ”Ons maakt het niet uit of onze partner voor een joint-venture  uit Europea, Azië of waar dan ook komt. Als een firma dat wil kan men een meerderheidsaandeel krijgen in onze onderneming en mag men wat ons betreft ook de direkteur en managers leveren. Mits daartegenover staat dat er geld in ons bedrijf wordt gestoken, onze produkten toegang krijgen tot een nieuwe markt en de bedrijfsvoering efficiënter wordt”. De joint-venture is zelfs in slechts een paar jaar dé grote mode geworden en in Hongarije is afgelopen februari de 900ste joint-venture gesloten en ‘het oosten opent zich definitief voor westers kapitaal’! [Angele Steentjes in: de Tijd, 27 april 1990].
Andere bedrijven gaat het intussen totaal anders want daar heeft, zoals hierboven vermeld, de direktie een flink deel van de aandelen zélf opgekocht zonder dat het personeel daar enige invloed op heeft kunnen uitoefenen en ‘over de haken en ogen, de plussen en minnen bij deze transaktie is geen informatie voorhanden’. Ook het personeel weet er het fijne niet van en de direktie doet er het zwijgen toe, maar intussen is het bedrijf van staatsbedrijf een privé-onderneming geworden. Dat geldt b.v. voor de voedselverwerkende fabriek ‘Szaftos’ onder de rook van Budapest waar de vijf man direktie 70 % van de aandelen zelf opkocht zonder de 700 man personeel íets te zeggen maar intussen als oude staats- en partijfunktionarissen bij een onderhandse ’privatisering’ onder een nieuwe titel de touwtjes in handen houden… Toch zal het verliesgevende bedrijf, aldus de Nederlandse register-accountant die er twee weken als consulent rondliep om het bedrijf met goede raad bij te staan, het niet redden omdat er in de aftandse burelen en vervallen gebouwen, geen sprake is van goed management en omdat de oude direktie geen plannen heeft om het werk aan anderen, jonge managers, over te laten.

top

De huidige direktie doet overigens ook niets om het bedrijf nu winstgevend te maken en het blijkt de Nederlander dat er niet eens richtlijnen zijn voor hoe, hoeveel en hoe snel er gewerkt moet worden. Hooggeplaatsten in de administratie konden de Nederlandse consulent, Pieter Schmidt, zelfs niet bij benadering vertellen welke informatie ze nodig hebben om hun werk goed te kunnen doen. Laat staan dat ze over die informatie beschikken! Ook de direktie van het bedfrijf weet niet wat er in het bedrijf gaande is en het bedrag dat bij schuldenaren uitstaat schatte men tientallen miljoenen forint lager dan het volgens debiteuren moet zijn. De kostprijs is onbekend, een personeelsbeleid is er niet, de boekhouding is ineens verdwenen, evenals de administrateur, slechte betaling, lage eisen, lage produktie, een direkteur die zichzelf een premie toekent voor een nieuw idee dat niet eens wordt gebruikt. Enfin: het blijkt dat direkteuren slechts administrateurs zijn die vele jarenlang niets anders hebben hoeven doen dan aan de eisen van Het Plan voldoen en, aldus Schmidt, “ik sluit niet uit dat deze direktie zichzelf nog even snel aan het verrijken is, ten koste van het bedrijf… want de deur staat wijd open naar alle vormen van corruptie”.   [Wera de Lange, Trouw, 15 maart 1990]. Dit gegeven is helaas bijna typerend voor Hongarije en is tekenend voor de problemen die zich in deze maatschappij in overgangstijd voordoen! Het zal namelijk nog wel blijken dat de handelwijze van de direktie van het bovengenoemde kleine bedrijf lang niet zeldzaam was, integendeel!
Maar óók maakt deze schrijfster duidelijk dat het Nederlandse bedrijfsleven het verder min of meer laat afweten en zeer terughoudend is wanneer het om de handel en de investeringen in Oost-Europa gaat! Slechts twee procent van de Nederlandse handel speelt zich immers met ‘Oost-Europa’ af...  ”De nieuwe inheemse kapitalisten zullen echter, op een enkele uitzondering na, de kwakkelende staatsindustrie links laten liggen. Van hen valt op korte termijn geen wezenlijke bijdrage aan de privatisering te verwachten”. [Bart Vink, Intermediair, 23 mrt.’90].
Veeleer is de hoop gevestigd op het buitenland en nieuwe wetgeving, die in 1989 al van kracht werd, heeft veel obstakels voor buitenlandse investerringen weggenomen en,…. investeren is een stuk makkelijker geworden. In sektoren als toerisme en micro-elektronica hoeven joint ventures de eerste vijf jaar b.v. geen winstbelasting meer te betalen, en deze nieuwe wetgeving heeft zichtbaar effect gehad. Telde Hongarije eind 1988 een kleine 300 joint ventures, destijds het grootste aantal in Oost-Europa, vorig jaar kwamen daar nog eens zo’n 700 bij en het aantal neemt nog dagelijks toe. [naar Bart Vink, Intermediair, 23 mrt. ‘90].
Buitenlandse investeerders mogen nu zelfs 100 % van de aandelen in Hongaarse ondernemingen kopen en een aantal staatsbedrijven zoekt al aktief naar buitenlandse investeerders, die immers niet alleen vers kapitaal inbrengen maar vooral ook technologische en organisatorische know-how te bieden hebben en de weg naar westerse markten kunnen effenen. [idem] en dit positieve standpunt tegenover buitenlandse en daarmee vernieuwende invloed op de Hongaarse economie wordt vooral gedeeld door de liberale oppositie van SZDSZ en Fidesz en door de huidige, zich [soms nog wel] socialistisch noemende regering. Het westerse kapitaal moet vooral dienen om dit land vooruit te helpen met een snelle opening naar de wereldmarkt en ‘een omvangrijke buitenlandse injectie in de economie is absoluut noodzakelijk’ [idem].
Toch leidt dit beleid nu al [mede in verband met de hevige verkiezingsstrijd!] tot een emotionele diskussie want o.a. aanhangers van het MDF, dat de zo fel begeerde “nationale waarden” en onafhankelijkheid in haar vaandel heeft, vragen zich al af wat er op deze manier nog overblijft van deze ‘nationale’ uitgangspunten en doelstellingen! Alle argumenten van liberalen en “socialisten” tellen dan niet meer, want men vindt toch dat het land onvermijdelijk eenzijdig afhankelijk wordt van anderen, van de buitenlandse investeringen en kapitaal. De rijke West-Europese landen zijn dan ook niet te vergelijken met de nieuwe partners in het oosten van Europa want die kennen vanouds een zeker evenwicht tussen buitenlandse investeringen binnen de eigen grenzen én investeringen van binnenlandse ondernemingen in het buitenland. Hongarije krijgt daarentegen te maken met een eenzijdige afhankelijkheidsrelatie want de Hongaren verliezen de zeggenschap over hun eigen economie zonder dat daar enige invloed buiten de eigen grenzen tegenover staat. [naar Bart Vink, Intermediair, 23 mrt. ‘90].
Temidden van de -natuurlijk allang bestaande [!]- uitersten op sociaal en economisch gebied èn de genoemde  politieke tegenstellingen weet premier Németh zich toch nog steeds gesteund door een parlementaire meerderheid en hij kan ook nu, bij de moeilijkste besluiten van december, terecht beweren dat Hongarije in feite geen keuze heeft! Daarom begint het nieuwe jaar 1990 al met de aankondiging van enorme prijsverhogingen: op 8 januari deelt de regering mee dat er per 1 februari forse prijsverhogingen zullen komen van gem. 25 % voor basisprodukten. Benzine wordt 30 % duurder, vlees 32 %, brood 26 %, post en trein 20 à 65 %, melk [en -produkten] 42 %, sigaretten, bier en akkohol 20 à 22 %, auto's 25 %, huren 35 %, openbaar vervoer 45 % [in Budapest 55 %], bier en alkohol 20 à 22 % en drinkwater meer dan 300 %. Een jaarabonnement voor de bus kostte eind vorig jaar 180, en nu 450 gulden [Algemeen Dagblad, 23 maart 1990]. Aldus worden onder druk van het IMF en de Eurropese Gemeenschap de subsidies afgebouwd en dat is nodig i.v.m. de oriëntatie op de markteconomie zoals men die immers wenst…. Men rekent dan ook al op een inflatie van veel méér dan 20 %, misschien wel 30 %!....
”Hierna werden hamsteraars onmiddellijk aktief en de vakbonden leverden felle protesten en dreigden met massale stakingen want de zoveel geprezen ”omschakeling naar een vrije markteconomie” betekende voor velen dus slechts een enorme last! Men weet immers wel dat de regering op den duur geen prijzen meer zal controleren en alles zal overlaten aan de vrije markt! De staat stelt nu alleen nog maximumprijzen vast voor één soort wit brood, magere melk en broodjes en voor 1990 verwacht de regering al een inflatie van ± 20 % en de prijsverhoging van januari zorgt al voor een 10 % prijsstijging...
De prijsverhogingen brengen een schok te weeg bij de bevolking en vooral het vrijlaten van de prijzen van levensmiddelen. Voor het eerst na 33 jaar werden de winkels leeggekocht. De subsidies moeten nu eenmaal worden afgebouwd en een land dat zich op de wereldmarkt wil oriënteren moet wereldmarktprijzen hanteren, en de nu verhoogde benzineprijzen blijven nog 20 à 30 % beneden westers niveau! De lonen blijven echter achter en de pensioenen nog veel meer! Volgens Sándor Nagy, leider der vakbonden, zal in 1990 ongeveer de helft van hen, een half miljoen mensen, moeten leven van minder dan Ft. 4.500 p.mnd. [= 120 DM]. De regering wil echter ‘voorlopig’ het binnenlands verbruik afremmen en dus blijft de armoede wijdverbreid en slechts een kleine groep leeft in overdaad, in welstand. [Béla Weyer, Süddeutsche Zeitung, za/zo. 13/14 januari 1990, met het artikel: ”De steenachtige weg naar de markteconomie. Economisch noodzakelijke prijsverhogingen leiden tot verarming van grote groepen der bevolking”].
Voor 1990 voorziet men al dat het bruto binnenlands produkt [b.b.p.] gelijk blijft en dat het binnenlandse verbruik zal dalen met 2,5 à 3 % en de reële lonen met 2 à 2,5 %. De export naar het westen zal stijgen met 8 à 9 %, en die naar het Roebelgebied zal dalen met 20 %. Het begrotingstekort mag max. Ft. 10 miljard zijn en de lopende betalingsbalans zal passief blijven maar in deze situatie kan men zich de ergernis en soms woede van talloze werknemers voorstellen!
Ook in de voor Hongarije nog altijd belangrijke sektor van de landbouw zullen zich belangrijke en fundamentele veranderingen voordoen, alleen al omdat nu nog 70 % in handen is van coöperaties, 20 % van de staat en slechts 10 % van particulieren, maar die verhoudingen zeggen niets over de machtsverdeling [Ben van der Velden, NRC-Handelsblad, 8 maart 1990] maar al helemaal niet over de produktie! Wel kregen de landbouwcoöperaties in dit land méér mogelijkheden dan elders in “het Oostblok” en behielden altijd enige zelfstandigheid: een deel van hun produkten konden de boeren tegen een behoorlijke prijs vrij op de markt verkopen en ze besteedden relatief veel aandacht aan hun privé stuk grond en van armoede of honger was op het Hongaarse platteland geen sprake en ”tot heden hebben vooral de agrarische sektor en de dienstverlening al sinds het begin van de jaren ’80 goed op nieuwe mogelijkheden voor een privé-sektor ingespeeld. Alleen al in de tuinbouw is het aantal full-time familiebedrijven de laatste jaren tot ongeveer 40.000 toegenomen en het aantal prvé-winkels steeg van 9.900 in 1980 naar 25.000 in 1988 en het afgelopen jaar zijn daar zeker nog enkele duizenden bijgekomen.
Ook in de horeca is het aandeel van privé-bedrijven duidelijk toegenomen. In 1980 waren er in deze sektor nog maar 1.400 aktief, nu ongeveer 10.000. Zowel in land- en tuinbouw als in horeca en detailhandel lijkt een verdere snelle doorbraak naar een geprivatiseerde struktuur mogelijk en naar verwachting zal een nieuwe regering snel de wettelijke mogelijkheden verruimen zodat leden van landbouwcoöperaties grond verwerven en voor eigen rekening gaan werken. Dat wil niet zeggen dat de coöperaties compleet zullen verdwijnen want in de meer extensieve takken van landbouw, zoals graanteelt, zullen grotere bedrijven waarschijnlijk een belangrijke rol blijven spelen en op zich is het voortbestaan van coöperaties ook geen enkel obstakel voor een vrije-markteconomie, omdat het hier eigenlijk gaat om collectieve privé-bedrijven. [naar Bart Vink, Intermediair, 23 mrt.’90].

Gedenksteen voor de Zwitserse vice-consul Carl Lutz, die in WO II veel Joden het leven redde!

top

Het platteland van Hongarije maakte dan ook juist een welvarende indruk, maar de toekomst van bijvoorbeeld de grote staatslandbouwbedrijven is een andere zaak, hoewel dergelijke bedrijven in de landbouw niet domineren. Maar in de toekomst kan volgens velen toch geen sprake meer zijn van staatsbedrijven, die ook nog eens  extra privileges en voordelen hadden, zoals b.v. het automatisch interlokaal bellen terwijl er op de landbouwcoöperaties vaak niet eens telefoon was!! Dergelijke privileges zullen wel worden opgeheven. Ook is de tijd van de “groene baronnen”, de heerschappij van de goedverdienende managers en direkteuren van de grote staatslandbouwbedrijven en coöperaties nu wel voorbij.
Maar ook op agrarisch terrein valt er nog wel iets in te halen. ”Dit land heeft [namelijk] een zéér slechte infrastruktuur want het aantal telefoons is b.v. zeer beperkt gebleven en als particulier ondernemer of zelfs als lid van een landbouwcoöperatie had je geen recht op telefoon! Dat was praktisch alleen voor de leiding van staatsbedrijven [incl. staatsboerderijen] weggelegd……“Het was [zelfs] moeilijk om aan een telefoonlijn te komen als je -anders dan de staatsbedrijven- géén goede contacten hebt [had] in de oude nomenklatoera”, aldus Péter Szirmai van de Nationale Vereniging van Particuliere Ondernemers. [NRC-Handelsblad, 28 febr. 1990].
De meeste boeren zouden dus zonder veel problemen uit de coöperatie kunnen stappen en voor zichzelf kunnen beginnen terwijl sommige goedlopende en dus winstgevende coöperaties zouden kunnen blijven bestaan, maar sinds de nieuwe leuze van ”Vrijheid van grondbezit” voelt men er ook wel voor om het vermogen van staatsbedrijven om te vormen of te verdelen o.a. omdat deze staatsbedrijven, van 5.000 tot 50.000 ha groot, in de loop der jaren zijn uitgegroeid tot bedrijven met niet alleen allerlei landbouwprodukten, vee en wijngaarden, maar óók een aantal fabrieken en werkplaatsen voor reparaties e.d.! O.a. doordat de export naar de Sovjet-Unie nu in moeilijkheden verkeert én omdat er nu belasting op winst wordt geheven, stijgen ook hier in de regel de kosten en dalen de inkomsten!…
Het doel van de Partij van Kleine Grondbezitters om de landbouwgrond te herverdelen op basis van de situatie van 1947 lijkt echter onhaalbaar en bijna alle andere partijen voelen hiervoor niets omdat het doel irreëel is, maar intussen wordt er op lokaal niveau toch wel degelijk iets gedaan om tot akkoorden te komen tussen de bestaande landbouwcoöperaties en de voormalige eigenaren van de grond. [Wera de Lange, Trouw, 21 maart 1990].
Toch gruwen agrarische experts van het recept van deze partij met haar nostalgische en romantische leuzes “Wijn, graan, vrede” [Bor, gabona, béke] en “God, vaderland, familie” [Isten, haza, család], want tienduizenden valse claims zullen het gevolg zijn, evenzovele heilloze gerechtelijke processen, met als uiteindelijk resultaat onrendabele, te kleine boerenbedrijven, maar die eis van de FKgP is nu eenmaal haar belangrijkste bestaansreden, zelfs haar énige programmapunt, en ze zal haar standpunt niet gauw opgeven!
Bovendien leeft 30 à 40 % van de oorspronkelijke eigenaren niet meer en heeft geen erfgenamen en één miljoen ha landbouwgrond is verloren gegaan door verwaarlozing of bebouwing. De erfgenamen die nog wel in leven zijn, weten niets van boeren, omdat ze in de stad wonen of op de coöperaties in administratieve funkties werken. En de mensen die het land bewerken, de leden van de coöperaties, peinzen er niet over land in eigendom te nemen. Massa’s mensen zien immers al onmiddellijk met hun boerenverstand de nadelen van vroeg opstaan, met hog laarzen in de bagger werken met blote handen, zonder kennis en zonder machines, zonder kapitaal en de kennis van de marktwerking! Maar toch heeft die partij zich in korte tijd al populair gemaakt en zal volgens peilingen een 12 à 15 % der stemmen krijgen en ze lijkt zelfs als énige geloofwaardig voor ‘kleine luiden’ omdat ze iets concreets heeft te bieden. [naar: Wera de Lange, Trouw, en Hella Rottenberg, de Volkskrant, 24 mrt. ’90].…..
Hongarije is kortom bezig met een enorme inhaalslag maar ”veel in het land doet denken aan de jungle-achtige trekken van het klassieke kapitalisme. Doordat een netwerk van handelshuizen ontbreekt, kunnen slimme individuen die over goede relaties beschikken interessante handel naar zich toetrekken. Nieuwe industriële privé-onder-nemingen hebben een relatief grote vrijheid bij het vaststellen van arbeidsvoorwaarden, omdat de bestaande arbeidswetgeving nog niet is aangepast aan de nieuwe situatie en de vakbonden niet sterk genoeg zijn om enig tegenwicht te bieden. Veel kleine particuliere levensmiddelenwinkels ook ‘s nachts geopend om een nog grotere omzet te bereiken, ongehinderd door een tegen zelf-exploitatie beschermende winkelsluitingwet. En er is een snel groeiend leger werklozen, waarvoor geen deugdelijk sociaal vangnet beschikbaar is”.
De ontwikkeling in Hongarije moet echter plaatsvinden binnen een paar jaar, terwijl die in West-Europa zich als een organisch proces ontwikkelde waarin instituties als een banksysteem en een belastingstelsel langzaam maar zeker ontstonden. In Hongarije is geen tijd om dergelijke instituties rustig tot ontwikkeling te laten komen, maar moet de markteconomie bijna van de ene op de andere dag gecreëerd worden. En dat gaat niet zonder problemen”. ”Het geheel beweegt nu nog houterig en krakkemikkig en we hebben nog een aantal jaren nodig voordat het nieuwe systeem in redelijke harmonie funktioneert”, aldus de jonge econoom en medeoprichter van het marktinformatie-bureau ECHO, Sándor Richter. [Bart Vink in: Intermediair, 23 mrt. ’90].
Over de toekomst van dit experiment lopen de meningen dan ook vèr uiteen al zijn ‘de Hongaren’ -met hun wijdverbreide hang naar tragiek- zich er wel van bewust dat hun land een aantal moeilijke jaren tegemoet gaat. Sommigen zijn zelfs uitgesproken pessimistisch, vooral wanneer men let op de sociale gevolgen van werkloosheid, daklozen, verpaupering… Een econoom liet Bart Vink bijvoorbeeld weten: “Hongarije lijkt op een soort omgekeerde Columbus. Terwijl die op zoek was naar Indië belandde hij in Amerika, maar Hongarije probeeert Amerika te bereiken en zal uiteindelijk in Indië belanden”… [idem, Intermediair, 23 mrt. ’90].
En toch is nu juist Hongarije in het destijds achter een “ijzeren gordijn” gelegen ’Oost-Europa’ al jaren geleden begonnen met de economische hervormingen en híer hadden leidende economen al in de jaren ’80 de conclusie getrokken dat het halfslachtige beleid tot niets zou leiden en totaal ómgevormd moest worden in de richting van een markteconomie en een goed funktionerende kapitaalmarkt.
‘Het politieke wonder dat zich in de afgelopen twee jaar in Hongarije heeft voltrokken, is dat deze gedachtengang is overgenomen door leidende hervormers in de Hongaarse communistische partij, en dat deze hervormers kans gezien hebben om stap voor stap de macht naar zich toe te trekken. Een zeer bepalende rol daarbij heeft gespeeld, dat de Hongaarse economie door een hoge westerse schuld, die op $ 17 miljard geschat wordt, met de rug tegen de muur staat’. [Bart Vink, Intermediair, 23 maart 1990].  
Naarmate Hongarije zich vanaf de jaren ’80 steeds meer bewoog in de richting van marktmechanismen en een steeds meer vrije consumptiemaatchappij werd ook duidelijk dat dit land de ideologische en politieke besluiten van de Comecon op een geheel eigen manier invulde zonder dat dat teveel opviel! Hongarije was immers als één der kleinere landen van dit geheel, en bovendien zonder veel grondstoffen van betekenis, bijzonder afhankelijk van de handel met buurlanden zoals de Sovjet-Unie, Tsjechoslowakije en Polen, maar leidende economen wisten wel beter en sinds Gorbatsjov eerst voorzichtig en langzamerhand meer duidelijk met hervormingen kwam, wisten ze dat hun land vanuit Moskou vrijwel niets meer te vrezen had!  
Dat zorgde ervoor dat Hongarije zich óók op economisch gebied steeds minder verbonden voelde met de partners van de Comecon in Oost-Europa, want die organisatie bleek al veel eerder bij lange na geen sukses! ”In de afgelopen twee jaar waren bijzonder grote spanningen al het kenmerk binnen de Comecon en het aandeeel van de Hongaarse handel met de andere landen der Comecon daalde b.v. van 68 % in 1960 tot 46 % in 1988 en tot ± 40 % in 1989. Bovendien had Hongarije al in september 1989 een overschot van Rb. 1 miljard uit deze handel omdat de import met 8 % daalde en algemeen vermoedt men dat dat verder zal dalen”, aldus de al jarenlang bekende, nuchtere en hervormingsgezinde econoom Gerd Bíró in ”Budapester Rundschau” [18 dec, 1989].
Wel komen de Comecon-landen van 9 tot 11 januari 1990 nog bijeen in Sofia voor hun 45e jaarvergadering, maar m.n. Hongarije, Tsjechoslowakije en Polen zijn vóór een vrije markteconomie en de aansluiting bij de wereldmarkt, vóór convertibiliteit van de munten en vóór afschaffing van de planeconomie en de Hongaarse premier is nog het meest kritisch. Toch zal Hongarije vanwege de bestaande nauwe economische banden met Polen en Tsjechoslowakije níet uit de Comecon treden maar er worden in Sofia geen concrete afspraken gemaakt! Wel is de top, daarover is men het eens, een mislukking en alleen de onderlinge contacten en de naam blijven voorlopig maar van "socialisme" of van plannen voor integratie is geen sprake meer!......
In januari 1990 stopt Hongarije, zoals eerder vermeld, inderdaad met onmiddellijke ingang de levering van produkten in roebel-waarde want men kon met alle verdiende roebels niets meer! De omvangrijke handel met de Sovjet-Unie staat hiermee echter op de tocht en daarmee óók 700.000 arbeidsplaatsen! De Amerikaanse dollar zal in het handelsverkeer de roebel vervangen!

top

Wel wordt een nieuw handelsverdrag met de Sovjet-Unie voorbereid, maar men gaat ervan uit dat bijvoorbeeld de import van olie uit de Sovjet-Unie veel minder zal worden want deze handel stagneert en het voor Hongarije gunstige handelsoverschot van meer dan 1 miljard Roebel levert nu niets meer op: men kan er niets voor kopen.  Vele grote Hongaarse bedrijven kwamen al in moeilijkheden door het wegvallen van de handel met de Sovjet-Unie en bijvoorbeeld het enorme autobusbedrijf Ikarus, het grootste ter wereld, stopte voorlopig met haar produktie n.a.v. het besluit tot verbod op handel met roebels, en dus met de hele export naar b.v. Oost-Europa! De 10.000 werknemers worden voorlopig naar huis gestuurd met behoud van 80 % van het loon…..
Toch wordt er op vr. 23 maart 1990 een handelsverdrag met de USSR getekend, na grote moeilijkheden. Want de handel is sterk teruglopen, en Hongarije wil geen waardeloze roebels meer hebben. Maar met ingang van 1991 zal de handel met de Russen in harde valuta en tegen wereldmarktprijzen afgerekend worden en niet langer zal men het systeem van goederenruil hanteren. Voor Hongarije houdt dit echter wel in dat -na 20 jaar- ook niet langer een lagere prijs voor olie in ruil voor machines wordt berekend. Een handelsoorlog is hiermee echter afgewend want Moskou dreigde eerst met minder olieleveranties en dat zou Hongarije “200.000 arbeidsplaatsen hebben gekost”, zegt men in Budapest. In 1990 blijft nog de oude situatie en volgens het persbureau MTI exporteert de Sovjet-Unie in 1990 nog voor 12 miljard gld naar Hongarije. [NRC/Hbl. 22 maart 1990]. De Sovjet-Unie betaalt aan Hongarije ook nog $ 736 miljoen voor het Hongaarse handelsoverschot van 1989.
Hongarije is hiermee het eerste land dat als partner in de nog bestaande Comecon zo’n akkoord sluit en het oude systeem van de Comecon wordt hiermee voorgoed aan de kant gezet. Eerder al gaf Hongaije te kennen de export naar de Sovjet-Unie stop te zetten omdat die nog een schuld van omgerekend $ 1,3 miljard aan Hongarije zou hebben maar die schuld wilde Hongarije alleen in dollar of goederen laten innen… Het akkoord bepaalt ook dat Hongarije in 1990 voor $ 5,9 miljard aan goederen aan de Sovjet-Unie zal leveren en die zal $ 6,2 miljard [in plaats van $ 8 miljard in 1989] naar Hongarije exporteren. [Trouw, 25 april].
Men verwacht overigens dat binnenkort het verenigde Duitsland al handelspartner no. één zal zijn en men wil niet langer afhankelijk zijn van Sovjet-grondstoffen, zoals energie. Geleidelijk zal de handel met de partners van het “Oostblok” [het voormalige roebelgebied] dus dalen en zal de handel met de westerse landen die op de wereldmarkt immers altijd al veel sneller kwamen met innovatie, met nieuwe produkten en produktiemethoden, wel stijgen. Toch zal Hongarije nog wel enige tijd afhankelijk blijven van de Sovjet-Unie, die immers tweemaal zoveel aan Hongarije leverde [gas, olie, etc.!] als het zelf importeeert!
Die totale verandering van koers is uiteraard merkbaar op alle terreinen en dat bleek al in nov./dec. 1989 toen bleek dat de Hongaarse staatsluchtvaartmaatschappij Malév, al tientallen jaren een paradepaardje van dit land, in grote problemen verkeerde. Maar Malév zal worden geprivatiseerd en haar achttien verouderde sovjetmachines [Tupol’evs] zullen dan worden vervangen door Amerikaanse Boeings en met het geld dat de privatisering oplevert hoopt men dan de nieuwe toestellen te kunnen financieren. Typerend is ook dat nota bene de Japanse maatschappij Japan Airlines samenwerking wil met Malév en b.v. over een rechtstreekse vliegroute Budapest-Tokio wil onderhandelen….  Bovendien bezoekt de Japanse premier van 15 tot 17 januari Hongarije en belooft ook Japanse financieel-economische hulp aan het land. "Suzuki" zal in Esztergom een fabriek bouwen, die eerst 50.000 en later 100.000 auto's per jaar zal leveren, een joint venture met de autobusfabriek "Ikarus", maar men wil eerst garanties van de Hongaarse staat. Japan zal $ 500 mln krediet geven maar ook andere bedrijven zullen deelnemen aan de autoproduktie in Hongarije. Op deze manier zal de wachtlijst voor 400.000 auto’s die nu nog bestaat wellicht vrij snel door West-Europese en Japanse bedrijven, zoals Opel en Suzuki, die beide in Hongarije zullen komen met eigen bedrijven, kunnen worden weggewerkt.....
Maar intussen zijn der tientallen voorbeelden te noemen van westerse bedrijven die commerciële interesse hebben voor Hongarije en in dit land willen investeren want in veel opzichten heeft Hongarije op talloze gebieden een achterstand, terwijl de Hongaren uiteraard allang weten hoe de automarkt in elkaar zit, waar je de nieuwste en snelste apparatuur kunt krijgen, in welke zaken je alleen met ‘convertibele valuta’ kunt betalen, etc. etc.  
Aldus onderhandelt "Rába" in Győr bijvoorbeeld met het Amerikaanse "General Motors" over deelnamen aan het bedrijf en ook andere Aziatische landen dan Japan, zoals Zuid-Korea en Taiwan doen flinke investeringen in en geven leningen aan landen zoals Hongarije. Intussen kunnen de twee grootste commerciële banken, Magyar Hitelbank en Kereskedelmi és Hitelbank nu ook [hun] aandelen aan westerse banken gaan verkopen en de belangstelling van Duitse, Franse, Japanse, Oostenrijkse en Nederlandse banken is al aanwezig.
Als eerste Nederlandse bank vestigt de Amrobank zich in de 1e helft van dit jaar in Budapest en ook met allerlei andere West-Europese landen krijgt Hongarije nu intensieve contacten op velerlei gebied, studie, onderzoek, soft ware, know-how, computertechniek, management, technologie… Heel wat landen, zoals Duitsland, Oostenrijk en Japan zullen ook Hongaren opleiden voor het moderne bedrijfsleven en management, en o.a. technici, studenten en zakenlui zullen niet alleen in Japan maar ook in een aantal West-Europese landen verder kunnen leren en er bestaat een enorme bereidwilligheid! Slechts één voorbeeld hiervan is het bezoek van de Franse president Mitterrand van 18 tot 20 januari aan Hongarije met een delegatie van zes ministers: ook Frankrijk zal 700 miljoen gld. aan Hongarije lenen ten bate van projekten, joint ventures, de telecommunicatie, het transport en het hotelwezen en [slechts] twee van de talloze voorbeelden van joint ventures zijn dat "Samsonite" [koffers en tassen] met het Hongaarse bedrijf "Palota" [omzet 27 miljoen gld. p.j] in zee gaat en dat IKEA samen met het Hongaarse bedrijf "Bútorker" een warenhuis in Hongarije zal oprichten. Verder komt het staatsbedrijf "Hungarohotel" voor ruim 51 % in Zweedse handen als "Ungaria AG" en de Amerikaanse computerfirma [Digital Equipment Corp.] zal samen met een Hongaars bedrijf per april in Hongarije een bedrijf opzetten voor de produktie van software ["szoftver"].
Verscheidene Westerse ondernemingen gaan aldus joint-ventures aan met Hongaarse bedrijven, o.a. op het gebied van radio en televisie, telefoon, spoorwegen, hotelwezen, verlichting, electronica, halfgeleiders [chips], motoren, videorecorders, ovens, auto's, etc. en op allerlei terreinen is sprake van grootscheepse hulp vanuit het Westen aan Hongarije; men wil het milieu sterk verbeteren, de totaal vervuilde lucht door de kleine auto's [o.a. Trabant] aanpakken, technologische vernieuwingen doorvoeren, een veel beter management invoeren, de opleiding van deskundigen sterk verbeteren, enz. enz. Vooral van Duitsland krijgt men veel steun…..
Ook bezoeken allerlei ministers uit West-Europa nu Hongarije en ze bieden dit land hulp aan bij de ontwikkeling, opleidingen, de markteconomie, de privatisering, de integratie met Europa, en "de weg naar Europa ligt voor Hongarije open", verklaart men regelmatig. Bovendien worden de visabepalingen voor Hongaren eerst in Duitsland en Italië en vervolgens in andere West-Europese landen nog in 1990 opgeheven waarmee voor het eerst na ruim veertig jaar een vrij verkeer in Europa op gang komt.
Bovendien blijkt dat de Hongaarse dagbladpers óók belangstelling krijgt van enkele West-Europese investoren want op 21 januari 1990 koopt de Britse persmagnaat Rupert Murdoch 50 % van de nieuwe Hongaarse bladen "Reform" met 400.000 abonnees en "Mai Nap" met 100.000 abonnees voor $ 4 mln op en Murdoch zal nog eens $ 750.000 in deze nogal populaire boulevardbladen investeren, hoewel "Magyar Hitelbank" de grootste aandeelhouder blijft. Verder wordt het veel oudere "Magyar Hírlap" met 100.000 abonnees in februari 1990 voor 40 % opgekocht door de Britse mediamagnaat Robert Maxwell voor 5 miljoen gld en hij koopt in mei 1990 ook een belang van 40 % in het blad “Esti Hírlap” [Avondnieuwsblad]. Er zullen hierbij vanzelfsprekend banen worden geschrapt en adverteerders zullen worden aangetrokken! Voorts neemt het Duitse "Axel Springer Budapest Verlag GmbH" een aantal provinciale dagbladen over, met hun personeel en infrastruktuur en ook bij deze kranten verklaarde ‘men’ zich al eerder [volgens de nu heersende tendens] onafhankelijk van de regerende partij, hoewel redakties, personeel en gebouwen bleven. "Hungaropress" [voor de helft van Springer, 1/3 van Magyar Posta en 1/6 Vinton GmbH] zorgt voor import van buitenlandse tijdschriften……Op het terrein van vak-, hobby-, week- en maandbladen zijn West-Europese ondernemingen in Hongarije dus zeer aktief.

top

Een direkt gevolg van dit alles is dat o.a. de Hongaarse toeristenorganisatie IBUSZ kan meedelen dat het toerisme in 1989 aanmerkelijk steeg met 38,7 % tot 24,9 miljoen toeristen en dat leverde $ 900 miljoen op. Vooral meer West-Duitsers [1,5 mln] en Oostenrijkers kwamen naar het goedkope Hongarije; het is immers al vele jaren bekend dat juist West-Europeanen in dit land véél meer besteden dan toeristen uit b.v. Polen en Tsjechoslowakije. IBUSZ verwacht nu dan ook een omzet van DM 40 mln….. Wel zullen er in Budapest tot 1991 nog 12.000 hotelkamers nodig zijn en er moeten nog véél meer privékamers [nu 0,4 miljoen] komen.
Niet verwonderlijk is dat de Hongaarse ambassadeur in Den Haag, dr. I. Csejtei, begin april zelfs laat weten dat ”het economische lot van Hongarije geheel in handen ligt van het westerse bedrijfsleven” want ”Hongarije heeft te maken met een hopeloos verouderde industrie en het land ontbeert elke Forint om deze industrie ingrijpend te moderniseren…. Hongarije heeft het Westen bittter hard nodig bij de overschakeling van een centraal geleide naar een vrije martkteconomie”. Maar hij denkt ook dat Nederlandse concerns nauwelijks op de hoogte zijn van de financiële voordelen van een joint venture met Hongaarse bedrijven: ’Het opzetten van een BV kost slechts 30.000 gld er geldt vrijstelling van belastingen. Bij mislukking krijgt men het geïnvesteerde geld terug en de gehele investering kan in eigen hand worden gehouden’. Csejtei vermoedt ook dat ondernemingen afwachten omdat zij garanties wensen van politieke stabiliteit in Hongarije en dat zal weldra blijken. [Trouw, 5 april].
In dezelfde week wordt in een artikel van de ervaren Hongarije-kenner Béla Weyer in de Süddeutsche Zeitung van 4 april 1990 echter nog eens duidelijk gemaakt dat de ontwikkelingen in Hongarije niet allemaal zo gemakkelijk en vlot [kunnen] gaan en dat ook dit land, dat door velen in West-Europa wordt gezien als model en als “reeds lang op weg naar het Westen”, met een enorme achterstand op velerlei gebied heeft te maken!
”Hoewel Hongarije met de eerste vrije verkiezingen sinds 45 jaar een geweldige politieke stap in de richting Europa heeft gezet, lijkt het land aan de Donau toch verder in talloze opzichten een Balkanstaat. Een verwaarloosde en geruïneerde infrastruktuur, langzame en vieze treinen, ongeasfalteerde straten, zelfs in de hoofdstad, en een beneden alle Europese normen werkende post maken de mooiste economische doelstellingen als wensdroom tot een vraag!
Het telefoonnet is belabberd: nog slechter dan dat in Roemenië en Bulgarije en per hoofd op het laagste niveau van Europa. Hungaria Telecom Rt. wacht sinds maanden op toestemming voor aanleg van het eerste mobiele telefoonnet in Budapest met privégeld. En de telefoon wekt bij de meeste mensen alleen maar ergernis. Al 10 jaar duur de wachttijd voor de aanschaf van een telefoon nu. “Ondanks de vele beloften door verschillende overheidslichamen en ondanks de enorme druk van het publiek is het de Hongaarse Post tot nu toe gelukt de toestanden van de 19e eeuw in het openbare communicatiesysteem te handhaven” [!]. Maar men sloot in december 1989 een akkoord met de Australische Bond Corp. waardoor eerst Budapest en vervolgens heel het land wordt voorzien van een mobieltelefoonnet. De kosten zullen eerst $ 53 miljoen en later nog eens $ 150 à 180 mln bedragen! De Australische maatschappij zal bovendien op den duur nog de helft van de winst investeren in de modernisering van het Hongaarse telecommunicatiesysteem en Tamás Ligeti, direkteur van Hungaria Telekom Rt. zegt zelfs dat hij geen forint van het budget van de overheid of welke staatssteun dan ook wenst. Op één advertentie als een soort onderzoek meldden zich al duizenden potentiële deelnemers, voor 90 % kleine ondernemers, buitenlandse firma’s en joint ventures, die in Budapest wegens gebrek aan een telefoon net eens goed kunnen werken! Het hele systeem wordt n.b. compleet afgeleverd en geïnstalleerd en men is van plan om in Hongarije mobiele telefoons te laten fabriceren. [Maar…… dán komt het]…  Hoewel Hungaria Telecom in juni 1989 al de voorlopige toelating tot een frekwentie van het Ministerie voor Verkeer, Nieuws en Bouwwezen heeft ontvangen en de nodige toestemming van de autoriteiten voor de bouw en het in bedrijf stellen van het mobiele telefoonnet is verleend, is er verder niets gebeurd. Hungaria Telecom vraagt vervolgens na ondertekening van het joint-venture verdrag met de Australische partner nog aan het ministerie om de definitieve frekwentietoelating als bevestiging van de voorlopige, maar… die wordt ‘gewoon’, kortweg geweigerd! Niets helpt dan meer al vindt Hungaria Telecom zelfs nog twee nieuwe partners die eventueel op dezelfde voorwaarden zouden willen helpen.
De ware reden voor de afzegging is volgens Weyer mogelijk dat Magyar Posta, het monopoliebedrijf der Hongaarse Post, eind vorig jaat met het Amerikaanse bedrijf US West een verklaring heeft getekend voor de aanleg van een mobieltelefoonnet in Hongarije, met het verschil dat dan het net in eerste instantie slechts voor enkele duizenden deelnemers kan worden aangelegd en dat voor de financiering een beroep moet worden gedaan op het IMF en op de middelen van de regering en dan kan tenminste het monopolie van de Hongaarse Post bewaard blijven. Al het andere moet daarvoor dan maar wijken! [naar: Béla Weyer, Süddeutsche Zeitung]…..
Men kan hierbij nog bedenken dat slechts 7 à 8 % van de Hongaarse huishoudens en bedrijven in totaal telefoon heeft en dat er al vele jaren enorme wachtlijsten voor aansluiting zijn en op het platteland zijn er b.v. nog handbediende telefooncentrales… De aanleg van een ‘normaal’ telefoonnet betekent dus al een wonder, een geweldige uitdaging voor degene die de opdracht krijgt! Maar dezelfde soort situatie bestaat op allerlei terreinen want het aantal auto's in Hongarije bedraagt nu b.v. 1,8 mln. en dat betekent 170 per 1.000 inwoners en dat is nog weinig vgl. West-Duitsland met 476, de DDR met 216 en Tsjechoslowakije met 173. Wèl ligt Hongarije nog altijd voor op Bulgarije met 121 auto’s per 1.000 inwoners, Polen met 112, Roemenië met 43 en de USSR met 56 auto’s!
Rijke Hongaren kopen overigens tegenwoordig ook gretig tweedehands westerse auto’s zoals Mercedessen, Opels en Volkwagens, die tegen contante betaling in westerse valuta van de hand gaan, maar deze rijke Hongaren verdienen uiteraard een veelvoud van het gemiddelde maandloon van 7 tot 9.000 Forint [= 200 tot 250 gld.]. Er bestaat zelfs nog altijd een wachtlijst voor 400.000 auto’s, hoewel die wellicht vrij snel door West-Europese bedrijven, zoals Opel en Suzuki, die beide in Hongarije met eigen bedrijven zullen komen, zal worden weggewerkt..... Overigens wordt vanaf januari 1990 ook de helft van de 300 auto's, Trabantjes, Lada’s en Wartburgs, van gevluchte vml. Oost-Duitsers, die vanaf 1989 in Hongarije zijn achtergebleven, van gemiddeld 6 tot 10 jaar oud, ter verkoop aangeboden, d.w.z. geveild en het geld wordt op een speciale rekening gestort. Binnen één jaar kunnen vml. eigenaars aanspraak maken op de verkoopprijs, minus de onkosten……
Intussen is Hongarije vanaf januari ook bezig met nieuwe onderhandelingen met het Internationale Monetaire Fonds [IMF] over een fors krediet en over de nog niet vastgelegde principes der financiële politiek van het land en men  zal ook met de Wereldbank onderhandelen over een overgangskrediet à $ 150 miljoen. Nog in januari verleent de Wereldbank Hongarije inderdaad een krediet voor drie jaar à $ 1 miljard en het parlement heeft de voorwaarden hiervoor eind december al goedgekeurd zodat het begrotingstekort nu veel minder groot is, n.l. Ft. 49 miljard. En deze akkoorden zijn van bijzonder groot belang want verscheidene buitenlandse kredietinstellingen [banken] maken het verlenen van verdere kredieten aan Hongarije afhankelijk van de onderhandelingen met het IMF! Ook de Europese Gemeenschap zal het land dan $ 1 miljard geven en ook de Wereldbank komt met een krediet à $ 560 miljoen.
Hongarije en het IMF worden het op 22 februari eens over een eerste krediet van ± $ 200 mln en het IMF en de Wereldbank zijn bereid om Hongarije te helpen bij de omschakeling naar de handel in dollar. Maar in maart wordt bekend gemaakt dat het IMF aan Hongarije wel strikte voorwaarden stelt: de overheid zal enorm moeten bezuinigen, subsidies moeten worden afgebouwd en besparingen zijn absoluut nodig. De levensstandaard zal dus zeker dalen en men verwacht de komende jaren nog geen verbeteringen.
Ook heeft de Hongaarse regering toch, om krediet van het IMF te krijgen, besloten tot de sluiting van 41 ‘uitgeputte’ ondernemingen met in totaal Ft. 10 miljard [277 miljoen DM] schulden, zelfs vóór de verkiezingen!  Intussen is Magyar Hitelbank [Hongaarse Kredietbank] verreweg de grootste bank, met 50 % van alle Hongaarse ondernemingen als klant, maar waarschijnlijk wordt ook die nu met Duits en Frans kapitaal versterkt! Deze door de regering bevolen sluiting van banken was overigens een zeer ongewone stap, want ondanks alle nieuwe wetten en vèrstrekkende hervormingen lijken banken in Hongarije nog steeds schuw voor faillietverklaringen want ondanks het feit dat een wet hiervoor al sinds 1986 bestaat en er sinds 1987 door de staat verschillende andere [handels-] banken zijn gecreëerd, zijn er slechts 20 procedures voor zoiets gestart terwijl men weet dat het aantal ondernemingen dat z’n schulden niet meer kan betalen bij de 200 ligt. Liever leenden de banken geld uit aan insolvente grote ondernemingen! [Frankfurter Allgemeine Zeitung, 1 febr. 1990]….
Een gevolg van de voorwaarden van het IMF is o.a. ook dat er toenemende kritiek komt op de zéér kostbare plannen voor deelname van Hongarije aan een Wereldtentoonstelling samen met Wenen in 1995 want ”een land met zulke schulden en tekorten, dat regelmatig kredieten nodig heeft, kan zich dit niet permitteren", aldus verklaren bijvoorbeeld de oppositiepartijen SzDSz en Fidesz al! De Hongaarse staat zou immers maximaal $ 200 mln moeten [kunnen] bijdragen, terwijl er $ 2 miljard nodig is! Bovendien heeft het Oosten van het land er niets aan en uitbreiding van de infrastruktuur is een zeer kostbare zaak, die al wordt geschat op $ 700 miljoen! Er zullen bovendien nog eens 14.000 hotelbedden moeten komen, enz. enz. en de hoofdstad moet grondig worden aangepakt: méér woningen en wegen, uitbreiding van de metro, meer hotels, een autosnelweg, modernisering van musea, etc.

Het -eindelijk neutrale- bijschrift, monument der bevrijding, Gellértberg, na 1990.

top

Maar ook in het algemeen komt er al felle kritiek op het IMF, dat Hongarije weliswaar een forse lening van in totaal een miljard gld [> 400 mrd Forint] wil geven, maar onder voorwaarden die met name een scherpe inkrimping van de economie, die nu juist groei nodig heeft, zullen betekenen… Toch blijft de vrij jonge deskundige inz. internationale financiën András Simor [Budapest, 1954, zie hieronder] nog wel optimistisch want ”een goed werkende kapitaalmarkt kómt er. We hebben de middelen ertoe en de regering zal moeten bewijzen dat onze markt een behoorlijk evenwicht kent tussen risiko en profijt”. [de Volkskrant, 8 febr. 1990].
Op 1 maart 1990 wordt ook de Bankwet van kracht en volgens de bekwame econoom en bankier Zsigmond Járai [Biharkeresztes, 1951], die vanaf 1988 de eerste president van de [formeel al bestaande] Effectenbeurs van Budapest [Budapesti Értéktőzsde] was en nu onderminister van financiën is, die het toezicht op het bankwezen zal krijgen, zal dat de handel in aandelen sterk bervorderen. Maar nu al zijn er meer dan 200 beurs-n.v.’s mogelijk gemaakt met een gezamenlijk aandelenpakket van Ft. 1.000 miljard [2,2 miljard gld].
Eind januari heeft het Hongaarse parlement intussen een wet op het Beurswezen aanvaard zodat de oude ["kapitalistische"] situatie van 1948, met een Effectenbeurs en kapitaalmarkt, per 21 juni 1990 kan worden hersteld.
Tussen de 5 en 10 bedrijven zullen er dan een notering hebben en particulieren mogen sinds een jaar aandelen bezitten en verhandelen. MÁVAG, MOL en Ibusz en talloze andere ondernemingen zullen hiervan al snel gebruik maken maar sommigen in Hongarije vrezen ook in dit geval al een uitverkoop van het land aan het buitenlandse kapitaal want al in 1989 zijn immers 40 Hongaarse bedrijven aan buitenlandse investeerders of onderne­mingen geheel of gedeeltelijk verkocht en dat aantal steeg in 1990 zeer sterk!………
Toch komt die beurs in de eerste maanden nog nauwelijks van de grond o.a. omdat veel mensen nooit van een dergeliik idee hebben gehoord en “er is een hele generatie opgevoed met het idee dat de beurshandel op de rest van het volk parasiteert”, aldus Erika Timkó-Schalkhammer, een medewerkster van het beurssecretariaat. [Steven Adolf, NRC-Handelsblad, 10 maart 1990]. ’Vanaf eind 1988 werd het weer mogelijk om aandelen te verhandelen en sindsdien zijn er tot maart 1990 170 bedrijven naar de Beurs gegaan voor een totale waarde van 600 miljoen forint [officieel: 20 mln gld, maar “tegen de meer representatieve zwarte koers” 13 mln gld]. Men hoopt in maart 1990 op de komst van Ibusz dat volgens plan in mei tegelijk op de beurzen van Wenen en Budapest zal worden geïntroduceerd, en dat dan hopelijk voor veel andere bedirjven een stimulans zal betekenen… Maar “de boekhoudkundige stand van zaken in Hongarije is niet zo eenvoudig en is onderontwikkeld”; “een belegging is nu nog vooral een risiko”, ”we moeten Hongarije aan de man brengen”, “men moppert hier over de uitverkoop van zijn tafelzilver” en “het publiek heeft geen vertrouwen in de beurs”. [idem].
Zelfs is nu een veteraan uit een verdwenen tijdperk terug, n.l. de 70-jarige Béla Jancsó, die van 1942 tot 1948 ooit effectenmakelaar was, en hij betreurt nog altijd de ondergang van de 85 jaar beurshandel van vroeger! “We missen 40 jaar in onze ontwikkelingn. Een hele generatie is uitgesloten van enige ervaringen. Alle kennis zal weer van de grond af aan opgebouwd moeten woerden. Daar is enig geduld voor nodig”, aldus Jancsó. ‘[idem].
Buitenlandse banken kunnen nu ook in Hongarije aktief worden maar vanaf 1983 was er op beperkte schaal al handel in effecten en obligaties mogelijk, en in 1987 werd het monopolie van de Hongaarse Nationale Bank al opgeheven waaruit bleek dat Hongarije al veel verder was dan de andere landen in Oost-Europa….
Weliswaar heeft men nu veel bewondering voor Margaret Thatcher die ooit vol lof was over Hongarije, maar in Hongarije zal de privatisering nog véél méér moeten omvatten, want: “Wij moeten minstens 60 % van de staatsbedrijven verkopen in drie jaar”, aldus Járai, en András Simor, nu hoofd van de joint venture van de Budapest Bank en de Oostenrijkse Credit Anstalt, [CA-BB] voegt daaraan toe dat de staat zich niet bezig zal moeten houden met ‘frutserige zoethoudertjes’ maar zich moet concentreren op de hervorming van de economie! Eerst zal -hoe moeilijk dat ook zal zijn- de wisselkoers stabiel moeten worden en de inflatie zal onder controle moeten komen, en dát zal voor Hongarije al een grote prestatie zijn!
Zeker is ook dat de staat veel industriële bedrijven van de hand zal doen en te koop zal aanbieden. Bovendien moet de binnenlandse vraag sterk toenemen en er moet op den duur [weer] een brede middenklasse met eigen particulier bezit ontstaan.... Dat alles is echter nog toekomstmuziek! Voorlopig heeft men immers te maken met de kille cijfers en die wijzen o.a. uit dat de handelsbalans van 1989 nog een tekort van omgerekend $ 1,4 miljard aanwees en dat de buitenlandse schulden nu $ 20,7 miljard [d.w.z. DM 34,7 mrd] bedragen. Wel is de deviezenvoorraad gestegen tot $ 540 miljard en dat betekende toch een groei van 5,5 %.
Voor 1990 voorziet men dat het bnp gelijk blijft, maar dat het binnenlandse verbruik èn de reële lonen met 2 à 2,5 % zullen dalen, dat de export naar het westen zal stijgen met 8 à 9 % en dat het budgettekort maximaal Ft. 10 mrd mag zijn! Ook de lopende betalingsbalans zal passief blijven.
Alle optimisme lijkt dus bijzonder voorbarig want de armoede is nog grroot! Ook bij de enorme prijsstijgingen van januari bleven de lonen, zoals gebruikelijk, achter en het minimumloon bedraagt nu Ft. 3.500,- [= 100 gld.] per maand en hiervan moeten 2,5 miljoen mensen [1/4 der bevolking!] leven en de toelagen voor gepensioneerden zijn nu Ft. 1.050,- [= 30 gld.] en per kind krijgen gezinnen een toelage van Ft. 50,-.  Wel gingen de lonen per 1 februari ook omhoog gaan met 25 à 35 % en aan werklozen [een nieuw verschijnsel en dus nog niet bij wet geregeld, dus: nu nog geen uitkering] wordt nu voor het eerst een steun van 75 % van het laatste loon toegezegd en half april wordt door de regering  toegezegd dat er voor werklozen een sociaal vangnet zal  komen want men verwacht een sterke stijging van het aantal werklozen n.a.v. de privatisering: veel staatsbedrijven werken immers met verliezen en zullen moeten sluiten, hun werknemers moeten ontslaan of inkrimpen. Toch roept men bij het openbaar vervoer een staking van 2 uur uit en de vakbonden klagen steen en been over de sterk toenemende armoede door de "ongewone" prijsverhogingen en de inflatie! Een week later is zelfs een "Nationaal Front van de Armen" opgericht door daklozen van wie er naar schatting 30 à 35.000 in Hongarije zijn en veel mensen vrezen bovendien een enorme inflatie. Een zichtbaar en voelbaar teken hiervan vormen vanaf januari 1990 de nieuwe bankbiljetten, voor het eerst [!] van Ft. 5.000,- [= 150 gld. en zwart 100 gld.] met o.a. het portret van de beroemde graaf István Széchenyi [1791-1861], maar men kan dit slechts zien als een teken van de zéér zwakke positie van de forint die aan inflatie onderhevig is: er komen vooral in Budapest nu steeds meer zaken waar men alleen convertibele valuta [DM, $] accepteert…..
Deze situatie levert voor zéér veel mensen in dit land dus geen énkel vertrouwen of hoop, idealen of enig optimisme op, hoewel de regering naar buiten toe, bijvoorbeeld naar de Europese Gemeenschap, de Wereldbank en het IMF wel kan laten zien dat ze haar best doet en ook zelf inderdaad álle maatregelen ziet als absoluut noodzakelijk. De prijzen zijn nu bijvoorbeeld voor 95 % vrij en worden aan de hand van de marktwaarde bepaald en de handel met Oost-Europese landen neemt sterk af.
Dat neemt niet weg dat b.v. de vakbonden een zwakke positie hebben en zich bovendien in een soort overgangstijd bevinden. Op een congres van de grote Federatie van Vakbonden  op 4 maart erkent de SZOT, die altijd aan het lijntje van de partij liep [zoals overigens miljoenen mensen dat deden], gefaald te hebben en niet de echte belangen van de werknemers te hebben behartigd, maar men zal zich van z'n eigen verleden [van monopolie, diktatuur en zeggenschap van partij en staat] losmaken want “men voelt zich helemaal klaar voor de markteconomie” en ”de grote ontslagrondes, de CAO-marathons, loongolven en estafette-stakingen mogen beginnen”. Intern is men trouwens ook sterk veranderd en voortaan is het Algemene Ledencongres het hoogste gezagsorgaan. De federatie, die haar naam heeft gewijzigd in MSzOSz, "Landelijke Federatie van Hongaarse Vakbonden" en nu op vrijwillige basis, demokratisch, onafhankelijk van de overheid en gedecentraliseerd wil handelen, heeft nog altijd 3,6 mln [van de eerder 4 mln] leden, en Attila Bálint is de woordvoerder.
Deze positie wordt nu echter aangevochten door nieuwe, kleine, onafhankelijke vakbonden [met 50.000 leden] die o.a. een deel van het vermogen opeisen, zoals het Verbond van Demokratische Vakbonden van Hongarije met 40.000 leden, en Zoltán Pokorni, bestuurslid hiervan, is nog lang niet tevreden o.a. omdat b.v. nog steeds automatisch contributie voor de grote vakbond wordt afgehouden van het loon en hier en daar worden mensen die hun lidmaatschap willen opzeggen bedreigd! …En de verwijten zijn vele! Volgens Bálint van de grote vakbond ondergraven die nieuwe kleintjes immers de eenheid van de vakbeweging en ”dat zal funest blijken als we straks met keiharde, commercieel ingestelde werkgevers moeten onderhandelen. Achter die nieuwe bonden zitten allemaal intellektuelen, met dezelfde agressieve stijl als de SZDSZ ‘dat rampzalige plannen heeft met onze economie”. Pokorni voert echter vooral aan dat de oude vakbond conservatief is, alleen al omdat ze hun bezit, zoals vakantieparken, kantoren en zgn. cultuurhuizen wil houden. Maar… ”Wíj willen omscholing bevorderen, deskundigen laten adviseren, doorlichten van de nieuwe strukturen in bedrijven, juristen bij arbeidsconflicten, verbetering van de struktuur der economie, en géén keiharde onderhandelaars die zoveel banen als mogelijk willen houden en zoveel mogelijk salaris willen binnenslepen. Dit is dus een keiharde strijd onderling om principes en er klinken zware beschuldigingen en er bestaat een enorm onderling wantrouwen! Pokorni wil b.v. staken als staatsbedrijven niet snel genoeg worden ontmanteld en Bálint eist vooral dat de lasten van de herstrukturering niet alleen op de schouders van de arbeiders terechtkomen! [NRC-Hbl. 5 april ’90]. Naar aanleiding van een oproep van de Federatie was er op 30 januari 1990 al een demonstraties vóór het parlement tègen de scherpe prijsverhogingen per 1 februari en men wenste een loonsverhoging, want anders krijgen we hier "Zweedse belastingen en Afrikaanse lonen!". Ook moet "Hongarije niet een land van bedelaars” worden, en men denkt dat vooral ouderen en gezinnen met kinderen het zeer moeilijk krijgen.
Een heel ander soort staking is die van za. 10 februari 1990 waarbij 15.000 kleine boeren demonstreren, na een oproep van de conservatieve, rechtse, FKgP vóór de stopzetting van de [sluipende] verkoop van landbouw-coöperaties door de "rode baronnen" van die coöperaties want men wil immers dat alleen voormalige eigenaren hun grond terug krijgen. Die verkoop moet dus worden opgeschort tot na de verkiezingen! De FKgP wil overigens ook winkels en kleine bedrijven ’teruggeven aan hun vroegere eigenaren’, maar ook die eis lijkt irreëel!…
Toch wordt Hongarije nu niet overspoeld door stakingen want in februari/maart had de regering een RTC-overleg ingelast met als resultaat dat de oppositie zal de economische noodmaatregelen van de regering niet voor verkiezingspropaganda zal uitbuiten en dat ze stakingen zal voorkómen. Maar de regering deed ook een belangrijke concessie: tot de verkiezingsdatum van 25 maart zullen er geen prijsverhogingen op levensmiddelen meer komen en er komt bovendien per 1 maart een einde aan de "spontane privatiseringen", de verkoop van nationaal eigendom. …

Een "Fonds voor Staatsvermogen" beheert nu alle aandelen van staatsbedrijven en heeft vetorecht bij plannen voor privatisering maar de verkoop beneden de marktwaarde zal niet meer mogelijk zijn. Overigens is al gebleken dat er voor de aankoop van de gigantische staats-industriebedrijven nog geen interesse bestaat! Bijzonder is ook dat de regering op do. 8 maart toegeeft dat de vroegere communistische regering jarenlang de begroting vervalste en gefingeerde cijfers over de economie toverde want de buitenlandse schuld blijkt niet $ 18 maar 20 miljard! Vervolgens hoort men dan van de vroegere minister van financiën [van 1962-’67] en later o.a. voorz. der Hongaarse Nationale Bank MNB [van 1975-’88], de vooraanstaande econoom Mátyás Timár [Mohács, 1923], dat “het budget -nu eenmaal- geen tekorten mocht vertonen”…

top